Nieuwsbrief voor overheden
De Centrale Raad van Beroep bevestigt zijn lijn met betrekking tot de disciplinaire bestraffing van ongeoorloofde mediacontacten. Bij de uitspraak zijn niettemin kanttekeningen te plaatsen.
Wat is er gebeurd? Een ambtenaar van de gemeente Den Haag is te werk gesteld bij een regionaal samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid. Betrokkene heeft een schriftelijke waarschuwing gekregen in verband met een e-mail die hij had gestuurd aan een journalist. Hij is erop gewezen dat hij, door zonder voorafgaand overleg met de afdeling voorlichting van de gemeente of zijn leidinggevende informatie aan een journalist te geven, heeft gehandeld in strijd met de gemeentelijke gedragscode. Hem is meegedeeld dat herhaling kon leiden tot het opleggen van een disciplinaire straf wegens plichtsverzuim. Binnen een halfjaar doet die situatie zich voor. Buiten de vastgestelde procedure om heeft betrokkene met de pers gecommuniceerd over een systeem dat de gemeente gebruikte in het kader van de fraudebestrijding. Dat deed hij zonder voorafgaande afstemming met zijn leidinggevende en de afdeling voorlichting. Betrokkene heeft tegenover de journalist zijn twijfels geuit over het gebruik van het systeem. In de media is vervolgens een artikel verschenen, waarin betrokkene wordt geciteerd. Het bestuursorgaan legt hem naar aanleiding van deze feiten de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag op, welk besluit door zowel de rechtbank als de Centrale Raad in stand wordt gelaten. De strafmaat is op zich ook wel in lijn met die in vergelijkbare zaken (CRvB 18 december 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:4295). Men kan zich evenwel afvragen of de bijkomende omstandigheden in deze zaak niet ook een onvoorwaardelijk strafontslag zouden hebben gerechtvaardigd. Betrokkene was immers naar aanleiding van het eerste voorval al gewaarschuwd. Hij is ondanks die waarschuwing binnen vrij korte tijd in herhaling vervallen en heeft ook nog eens te kennen gegeven niet te willen voldoen aan de opdracht om zich te houden aan de regels voor externe contacten. Het bestuursorgaan heeft dus geen enkele garantie dat betrokkene zich bij een volgende gelegenheid wel aan de gedragscode conformeert. Zie voor een geval waarin ongeoorloofde mediacontacten leidde tot onvoorwaardelijk strafontslag, Centrale Raad van Beroep 18 december 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:4294.
In bijna alle uitspraken over ongeoorloofde mediacontacten, ook in de hier besproken uitspraak, komt aan de orde dat de mediacontacten betrekking hadden op politiek gevoelige onderwerpen. Ik plaats hierbij een kanttekening, omdat de beoordelingsruimte die gepaard gaat met het gebruik van het begrip ‘politiek gevoelig onderwerp’ naar mijn mening wel erg ruim is, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat deze beoordeling van invloed is op de vraag of de ambtenaar plichtsverzuim heeft gepleegd. Want wanneer is een onderwerp nu politiek gevoelig? De hier besproken uitspraak vermeldt dat de gemeente door de media-aandacht over de fraudebestrijding in een verkeerd daglicht kon worden geplaatst en dat haar reputatie als betrouwbare overheidsinstantie hierdoor schade kon oplopen. Dit is in mijn optiek meer een beschrijving van de (mogelijke) gevolgen van de media-aandacht, dan dat dit een karakterisering van de aard van het mediacontact is. Verder is opmerkelijk dat de rechtbank in deze zaak als oordeel heeft uitgesproken dat betrokkene door zijn handelen de grenzen zoals bepaald in artikel 125a van de Ambtenarenwet (Aw) heeft overschreden. Volgens die bepaling dient de ambtenaar zich te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens indien hierdoor de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de functie vervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Doorgaans gaat aan het oordeel dat de grenzen van artikel 125a Aw zijn overtreden de overweging vooraf dat bij die beoordeling een zekere voorzichtigheid moet worden betracht nu in deze bepaling een beperking wordt gegeven op het in de Grondwet verankerde recht van vrije meningsuiting (CRvB 7 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9640).
Ten slotte valt in deze uitspraak een overweging van de Centrale Raad over de bevoegdheid op. Betrokkene had gesteld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente niet bevoegd zou zijn om een disciplinaire maatregel op te leggen gelet op zijn tewerkstelling bij het samenwerkingsverband. De rechtbank prikte daar terecht doorheen. Er heeft immers geen overdracht van werkgeversbevoegdheid plaatsgevonden. De Centrale Raad is het daarmee eens. Het voorwaardelijk ontslag blijft dus in stand.
CRvB 9 maart 2017, www.uitspraak.nl: ECLI:NL:CRVB2017:1007
Door Bas de Moor
"