Nieuwsbrief voor overheden

Wat zijn de mogelijkheden om een onjuiste verwerking van persoonsgegevens te herstellen? Een eenvoudige vraag die soms niet gemakkelijk valt te beantwoorden. Een uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Oost-Brabant maakt duidelijk welke complicaties zich kunnen voordoen.

 

Eerst even de casus.

De persoonsgegevens van een man en een vrouw zijn vermeld in het schematisch overzicht ‘verdachten/rechtspersonen’ in het algemeen draaiboek van het zogenoemde “Canitas” project. Aan dit project nemen meerdere gemeenten deel in het kader van de bestrijding van de malafide en/of illegale hondenhandel. Betrokkenen hebben een gemeente verzocht om vernietiging van hun persoonsgegevens in deze lijst. In dit verband hebben zij onder andere aangevoerd dat de verwerkte persoonsgegevens aantoonbaar onjuist zijn. Zo is de naam van verzoeker vermeld met daarbij de adresgegevens van zijn neef. Bovendien zou hij niet in honden handelen, zodat hij niet op de lijst hoort te staan. Het is niet duidelijk op basis van welke criteria verzoekster op de lijst is geplaatst. Ook is niet gewaarborgd dat de lijst niet aan onbevoegden wordt verstrekt. Tenslotte zou de lijst onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat zij is gebaseerd op meldingen en geluiden van burgers via onder meer social media. Deze vaak anonieme meldingen op social media zijn niet betrouwbaar en bovendien hebben verzoekers in 2011 aangifte gedaan van lasterverhalen op internet. Verzoekers hebben gesteld dat er personen op de lijst staan die maar één keer een nestje pups hebben gehad en dat er een persoon op staat die al was geëmigreerd op het moment dat de lijst werd opgesteld.

Tegelijk is het zo dat tussen deze verzoekers en de gemeente meerdere procedures aanhangig zijn. De lijst waarop verzoekers zijn vermeld is afkomstig uit RIEC-verband. Het college heeft aangevoerd dat de lijst noodzakelijk is voor de goede vervulling van de publiekrechtelijke taak. Verder heeft het college gesteld dat zij op grond van de Archiefwet de wettelijke plicht heeft om de lijst te bewaren, waardoor de persoonsgegevens niet uit de lijst mogen worden verwijderd. Tenslotte heeft het college gesteld dat de verzoekers de lijst hebben verkregen op basis van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Dit betekent dat verstrekking van eenmaal op grond van de Wob openbaar gemaakte informatie daarna niet meer geweigerd kan worden met een beroep op de uitzonderingsgronden van artikel 10 van de Wob. De door verzoekers verzochte vernietiging zou er volgens het college aan in de weg staan dat anderen kennis kunnen nemen van dit openbare document.

Het is opmerkelijk dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak niet ingaat op het recht van deze betrokkenen op rectificatie als bedoeld in artikel 16 van de AVG. Dit lijkt het eerst aangewezen instrument om fouten in gegevensverwerking te herstellen. Nu heeft verzoeker er weinig aan dat zijn foutief weergegeven adres in de lijst wordt gecorrigeerd. En ten aanzien van de overige informatie over verzoekers merkt het college –op zich terecht- op dat het correctierecht niet is bedoeld om gegevens bestaande uit indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren. Het rectificatierecht van artikel 16 AVG biedt betrokkenen op zich dus inderdaad geen soelaas.

De voorzieningenrechter merkt het verzoek tot vernietiging vervolgens aan als verzoek tot wissing van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17 van de AVG. Dit is het veelbesproken ‘recht op vergetelheid’, dat in de AVG veel hernieuwde aandacht heeft gekregen. De voorzieningenrechter overweegt echter dat een uitzondering op dit recht wordt gemaakt als verwerking nodig is voor het instellen, uitoefenen of onderbouwen van een rechtsvordering. Nu de lijst van verdachten en rechtspersonen die in verband worden gebracht met malafide en/of illegale hondenhandel wordt gebruikt als mogelijk bewijsmiddel in procedures tussen de gemeente en verzoekers, is sprake van een rechtsvordering en is de uitzondering van toepassing, zodat het verzoek ook onder de AVG niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Ten slotte besteedt de voorzieningenrechter aandacht aan artikel 18 van de AVG, waarin een betrokkene het recht wordt gegeven om beperking (bijvoorbeeld: opschorting) van een verwerking te verkrijgen als de juistheid van de verwerkte persoonsgegevens wordt betwist. Deze beperking geldt dan voor een periode die de verwerkingsverantwoordelijke in staat stelt om de juistheid van de persoonsgegevens te controleren. Ook in dit artikel 18 AVG wordt echter een uitzondering gemaakt voor het instellen, uitoefenen of onderbouwen van een rechtsvordering. Zolang er procedures lopen, komen verzoekers dus niet verder en zullen hun persoonsgegevens vermeld blijven. Of zij nu wel of niet zorgvuldig zijn verwerkt en correct weergegeven.

Voorzieningenrechter rechtbank Oost-Brabant, 27 juli 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOBR:2018:3609

Door Bas de Moor

"

Actualiteiten overzicht