Nieuwsbrief voor overheden

Een agrariër vraagt bij de gemeente Someren een bouwvergunning aan voor de oprichting van een tuinbouwkas op een hem in eigendom toebehorend perceel. De vergunning wordt verleend in oktober 1996. In januari 1997 verkreeg de agrariër een bouwvergunning voor een tweede tuinbouwkas op het perceel van zijn buurman. In januari 1998 diende hij een aanvraag in voor de samenvoeging van beide kassen, vooruitlopend op de eigendomsverwerving van het perceel van zijn buurman in december 1998.

De gemeente nam in november 1997 een voorbereidingsbesluit en legde in november 1998 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage, waarbij de bouw van de tuinbouwkas(-sen) onmogelijk werd gemaakt. Het bestemmingsplan werd in maart 1999 vastgesteld. In mei 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders het voornemen kenbaar gemaakt om beide bouwvergunningen in te trekken omdat er geen begin was gemaakt met de bouw, overeenkomstig welk voornemen in april 1999 werd besloten.

De agrariër ging in bezwaar tegen het intrekkingsbesluit, maar het bezwaar werd niet doorgezet, omdat met de gemeente de afspraak werd gemaakt dat niet op het bezwaarschrift zou worden beslist in afwachting van de afloop van de bestemmingsplanprocedure.

In de bestemmingsplanprocedure gaan de goedkeuringsbesluiten van gedeputeerde staten onderuit, kort gezegd omdat de Afdeling oordeelt dat de tuinbouwkassen waarvoor bouwvergunningen waren verleend, beschouwd hadden moeten worden als bestaande bebouwing. Gedeputeerde staten onthouden in juli 2004 definitief goedkeuring.

Uiteindelijk sluiten de agrariër en de gemeente in januari 2005 een overeenkomst krachtens welke de glastuinbouwactiviteiten elders in de gemeente worden gerealiseerd. De agrariër dient een claim in, omdat hij hierdoor wel vertraging heeft opgelopen.

Die claim wordt door rechtbank en hof afgewezen, op de grond dat aan de intrekking van de bouwvergunningen formele rechtskracht toekwam. Ook de adviseur van de Hoge Raad is het daarmee eens: de agrariër had geaccepteerd dat de gemeente de beslissing op bezwaar heeft aangehouden; de agrariër had alle gelegenheid om de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit te laten toetsen, maar hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Dus heeft de agrariër niet kunnen bouwen, omdat het intrekkingsbesluit formele rechtskracht heeft.

Ook op een andere grond is de adviseur van de Hoge Raad het ermee eens dat rechtbank en hof de vordering hebben afgewezen: de agrariër voert pas in cassatie aan dat hij op grond van het limitatief-imperatieve stelstel van de Woningwet destijds een bouwvergunning had kunnen verkrijgen, indien de gemeente niet het onrechtmatige bestemmingsplantraject zou hebben opgestart, maar dit is volgens de adviseur niet eerder in de procedure aangevoerd.

De Hoge Raad ziet de kwestie anders. Hij stelt voorop dat het hof terecht heeft vastgesteld dat, omdat het nieuwe bestemmingsplan onderuit is gegaan, het oude bestemmingsplan is blijven gelden en dat de gemeenteraad en gedeputeerde staten aanstonds hadden behoren te besluiten dat de oude bestemming van de percelen, agrarische bouwblokken, gehandhaafd zou moeten blijven. Volgens de Hoge Raad heeft de agrariër wel in de procedure aangevoerd dat, indien de gemeenteraad aanstonds in deze zin zou hebben besloten, de gemeente de intrekking van de eerder verleende bouwvergunningen zou hebben herroepen, danwel dat, indien de agrariër een nieuwe aanvraag voor de kassen had kunnen doen en zou hebben gedaan, het college de aanvraag vanwege het limitatief-imperatieve stelsel van de Woningwet niet zou hebben kunnen afwijzen.

De les van deze uitspraak is dat de Hoge Raad uiteindelijk niet kijkt naar de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit dat weliswaar formeel stand had gehouden, maar materieel let op het geschil waarin uiteindelijk na tussenkomst van de Afdeling materieel is geoordeeld dat de tuinbouwkassen op grond van hun vergunning eigenlijk als bestaande bebouwing hadden moeten worden beschouwd. Uiteindelijk is om die reden in het bestuursrechtelijke traject beslist in het nadeel van de gemeente, hadden de kassen er al lang moeten kunnen staan, en daarom, zo moet het oordeel van de Hoge Raad worden verstaan, moet de gemeente uiteindelijk ook opdraaien voor de vertragingsschade.

HR 18 december 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2015:3625

Door mr. U.T. Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht