Nieuwsbrief voor overheden

Zodra het bevoegd gezag een besluit heeft genomen naar aanleiding van een verzoek om ontslag is het niet meer mogelijk om het verzoek te wijzigen of in te trekken. Een schrijnende, maar niettemin juridisch correcte uitspraak van de Centrale Raad bevestigt dit nog maar eens.

 

Op 10 november 2015 had een ambtenaar bij de Belastingdienst verzocht om hem per 1 januari 2016 ontslag te verlenen. Op 23 november 2015 wordt het zogenaamde “van werk naar werk” (vwnw) beleid door werkgever afgekondigd, in welk verband ambtenaren bij de Belastingdienst in aanmerking konden komen voor een stimuleringspremie indien zij de dienst zouden verlaten. Naar aanleiding hiervan heeft betrokkene op 25 november 2015 in de voormiddag zijn ontslagverzoek gewijzigd, in die zin dat hij aangaf gebruik te willen maken van de mogelijkheid tot directe uitstroom met een stimuleringspremie en om, als hij niet voldeed aan de voorwaarden, hem te informeren wat hij moest doen om daarvoor alsnog in aanmerking te komen. In de namiddag van 25 november 2015 werd betrokkene echter een ontslagbesluit uitgereikt, waarin de wijzigingen in het verzoek niet waren meegenomen. Dit ontslagbesluit was immers reeds op 12 november 2015 aangemaakt en op 16 november 2015, dus voor de wijziging van het ontslagverzoek, vastgesteld. Werkgever hield vast aan dit ontslagbesluit en wordt daarin tot aan de hoogste instantie in het gelijk gesteld.

In het bestuursrecht geldt immers als regel dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekend gemaakt, behoudens onder omstandigheden de mogelijkheid van terugwerkende kracht (die hier verder niet aan de orde is). Dit uitgangspunt doet er evenwel niet aan af dat het rechtsgevolg uitgaat van het besluit zelf, dat dus op een eerder moment kan zijn genomen. Een rechtshandeling (waaronder dus ook een besluit behoort, is nietig of vernietigbaar indien sprake is van een wilsgebrek, zoals bedrog, bedreiging, misbruik van omstandigheden en dwaling). Indien een ambtenaar om ontslag verzoekt onder invloed van een wilsgebrek, dan moet een tegen het ontslagbesluit gericht bezwaarschrift voor gegrond worden gehouden. Uit de uitspraak van de Centrale Raad wordt duidelijk dat van een wilsgebrek, meer concreet: dwaling in dit geval geen sprake was. De Centrale Raad overweegt, op in de uitspraak verder niet toegelichte gronden, dat betrokkene om andere, niet met het mobiliteitsbeleid verband houdende, redenen ontslag had genomen. Een stimuleringspremie, bedoeld om medewerkers te bewegen de Belastingdienst te verlaten, was in zijn geval niet nodig. De Centrale Raad voegt hieraan toe dat een ingewilligd ontslagverzoek niet meer kan worden ingetrokken of gewijzigd. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet worden gebaseerd op uitlatingen vanuit werkgever die dateren van na het bestreden besluit. Overigens was hier ook geen sprake van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen van een bevoegd orgaan die een dergelijk beroep op het vertrouwensbeginsel zouden hebben gerechtvaardigd. Er was ook geen ruimte voor een belangenafweging.

De uitspraak van de Centrale Raad is juridisch gesproken dus correct. De stimuleringspremie loopt betrokkene mis en daarmee komt de aanstelling van betrokkene tot een einde op een wijze die best onverkwikkelijk is te noemen. Met de discussie over de stimuleringspremie komt een einde aan een dienstverband bij de Belastingdienst van, in het geval van betrokkene, ruim 43 jaar.

CRvB 4 mei 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2017:1730

Door Bas de Moor

"

Actualiteiten overzicht