Nieuwsbrief voor overheden

Betrokkene werkte als medewerker cameratoezicht bij de dienst Stadstoezicht van een gemeente. Bij vonnis van de strafrechter is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens opzettelijke brandstichting in haar eigen woning en opzettelijke beschadiging van een autoruit. Tegen dit vonnis heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

Betrokkene is vervolgens ontslagen bij haar werkgever op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens een misdrijf. Betrokkene vocht dit aan, en kreeg gelijk van de rechtbank. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat in de gebruikte ontslaggrond een discretionaire bevoegdheid besloten ligt die tot gevolg heeft dat een veroordeling niet zonder meer tot een ontslag dient te leiden, maar dat het bevoegd gezag zich per geval en op basis van de daarin relevante feiten en omstandigheden dient te beraden en te beslissen over een dergelijk ontslag. Daarbij dient een afweging plaats te vinden waarin onder meer de aard en de ernst van het delict en de maat van de opgelegde straf zullen moeten worden betrokken, alsmede de repercussies van het misdrijf en van de veroordeling voor de functievervulling van de ambtenaar en voor de betrokken ambtelijke dienst. Verder is de schade van belang die eventueel is toegebracht aan het aanzien van die dienst en de nadelige gevolgen voor de ambtenaar zelf, waaronder zijn belang bij een in enigerlei vorm voortgezet dienstverband.

In deze zaak ging het met name om de vraag of plaatsing van betrokkene elders binnen de gemeente mogelijk was. De Centrale Raad legt de beoordeling van het belang van de ambtenaar bij een in enigerlei vorm voortgezet dienstverband zo uit, dat de vraag moet worden beantwoord of er feiten en omstandigheden zijn die zich verzetten tegen voortzetting van het dienstverband in welke functie dan ook. Is dat het geval, dan prevaleert in beginsel het belang van het bevoegd gezag bij het niet voortzetten van het dienstverband boven het belang van de ambtenaar bij voortzetting daarvan. Pas als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, er zijn dan dus geen feiten of omstandigheden die zich tegen voortzetting van het dienstverband in een andere samenstelling verzetten, kan in het kader van de belangenafweging van het bevoegd gezag worden verlangd dat wordt onderzocht of er een passende functie binnen zijn gezagsbereik is, waarin de ambtenaar geplaatst zou kunnen worden.

De Centrale Raad overweegt vervolgens dat aan de gepleegde feiten in dit geval een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens van betrokkene ten grondslag ligt. De Centrale Raad overweegt dat uit het vonnis van de strafrechter is af te leiden dat door deskundigen bij betrokkene een aanpassingsstoornis met overwegend depressieve kenmerken is vastgesteld. Deze deskundigen hebben aangegeven dat die stoornis gepaard gaat met een aanpassing van het vermogen om problemen op te lossen en een verlaging van de drempel naar grensoverschrijdend gedrag. Gezien ook de aard en ernst van de door betrokkene begane delicten verzet het risico dat het bestuursorgaan loopt bij handhaving van betrokkene in de organisatie zich tegen voortzetting van het dienstverband van betrokkene in welke functie dan ook. Met de door betrokkene begane delicten heeft zij het noodzakelijk in haar te stellen vertrouwen geschaad. Het lange dienstverband kan betrokkene niet baten. Het ontslag blijft in stand.

CRvB 20 maart 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2014:918

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

"

Actualiteiten overzicht