Nieuwsbrief voor overheden
Wat was er aan de hand? Tussen Carigna (eiseres) en een derde is in 1991 een geschil gerezen over de verkoop van een aan Carigna toebehorend pand. De procedure heeft ertoe geleid dat Carigna is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan die derde. Deze schadevergoeding is in een schadestaatprocedure vastgesteld op ca. € 4.000.000,-. In deze laatste procedure is Carigna bijgestaan door een advocaat (hierna: verweerder). Verweerder heeft ook de memorie van grieven in hoger beroep in de schadestaatprocedure ingediend. Nadien heeft verweerder zich onttrokken. De vervangende advocaat heeft bij pleidooi aanvullende verweren aangevoerd. Het hof is deze verweren voorbijgegaan omdat de derde niet heeft ingestemd met uitbreiding van het debat in hoger beroep. De vervangende advocaat heeft vervolgens verweerder op 14 maart 2013 aansprakelijk gesteld voor ten gevolge van de – door Carigna gestelde - gemaakte beroepsfout geleden schade.
Carigna heeft in eerste aanleg (voor zover van belang) een verklaring voor recht gevorderd dat verweerder is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen partijen. Daarnaast heeft zij ontbinding van de overeenkomst gevorderd. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heef het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en geoordeeld dat de vordering tot ontbinding is verjaard. Carigna is vervolgens in cassatie gegaan.
De Hoge Raad overweegt dat een rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan verjaart ingevolge art. 3:311 lid 1 BW door verloop van vijf jaren nadat de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden. In de procedure staat onomstreden vast dat Carigna op 14 maart 2013 bekend is geworden met de tekortkoming waarop zij de ontbinding grondt.
De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). De verjaring van andere rechtsvorderingen kan ingevolge art. 3:317 lid 2 BW worden gestuit door een schriftelijke aanmaning indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een in art. 3:316 BW omschreven stuitingshandeling.
De Hoge Raad concludeert dat “de verjaring van een rechtsvordering tot ontbinding niet kan worden gestuit door alleen een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt.” Een andere stuitingshandeling is niet gesteld. Het gevolg daarvan is dat een succesvol beroep op stuiting van de verjaring ter zake van de rechtsvordering tot ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst in dit geding niet mogelijk is.
De slotsom luidt dat het cassatieberoep wordt verworpen.
Hoge Raad 14 november 2025, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2025:1685