Nieuwsbrief voor overheden

Aan de toegangsweg naar het bedrijventerrein Venkant in Sint-Michielsgestel bevindt zich een woning op respectievelijk 320 en 380 meter van de percelen op het bedrijventerrein. De transporten met vrachtwagens naar die percelen vinden plaats langs de toegangsweg. De bewoner van de woning verzet zich tegen de door het college verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het oprichten en inwerking hebben van een inrichting. De bewoner heeft namelijk last van het verkeer dat naar en van het bedrijf rijdt.

De rechtbank heeft de bewoner niet aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat ter plaatse van zijn woning geen hinder zal worden ondervonden vanwege het verkeer van en naar het bedrijf dat aan het inwerking zijn van dat bedrijf kan worden toegerekend.

Bij de beoordeling van deze kwestie verwijst de Afdeling allereerst naar een uitspraak van 14 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BG9779), waarin werd overwogen dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet aan het in werking zijn van een inrichting worden toegerekend als dat verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Daarvan is volgens de Afdeling sprake als het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

In dit geval overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verkeer naar en van het bedrijf dat langs de woning komt in het heersende verkeersbeeld is opgenomen. Daarbij neemt de Afdeling de afstand van de in- en uitrit van het bedrijf tot de woning in aanmerking. Die is meer dan 300 meter. Daarnaast blijkt uit een akoestisch onderzoek dat de gemiddelde snelheid van voertuigen op de weg 30 km per uur bedraagt.

De bewoner heeft zich verweerd door erop te wijzen dat het bedrijf in kwestie het enige bedrijf is op het bedrijventerrein met nachtelijk verkeer en dat de gevolgen van dat verkeer om die reden aan het bedrijf moeten worden toegerekend. De Afdeling overweegt, in lijn met de genoemde uitspraak uit 2009, dat die omstandigheid onverlet laat dat het nachtelijk verkeer van en naar het bedrijf zich ter plaatse van de woning door zijn rijgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich daar kán bevinden. De hypothetische situatie is maatgevend: of er daadwerkelijk ander verkeer op de weg is, is niet relevant in het kader van de vraag of de milieugevolgen aan het in werking zijn van het bedrijf kunnen worden toegerekend.

ABRvS 6 juli 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:1861

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht