Nieuwsbrief voor overheden

In artikel 6:52 BW is bepaald dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, bevoegd is om zijn  prestatie op te schorten tot de schuldeiser aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Voorwaarde is dat er voldoende samenhang tussen beide prestaties bestaat.

In de kwestie die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2014, stond de vraag centraal of een opdrachtgever betaling van facturen mag opschorten, met als argument dat de aannemer het werk niet deugdelijk heeft uitgevoerd, terwijl het werk nog niet is opgeleverd en de gebreken in principe nog hersteld zouden kunnen worden.

Het hof oordeelde dat de deugdelijkheid van de verrichtte werkzaamheden geen rol speelde bij de vraag of de opdrachtgever betaling mocht opschorten. Volgens het hof zou dat alleen anders zijn indien de gebreken niet meer hersteld zouden kunnen worden.

In cassatie ging het arrest van het hof onderuit. De Hoge Raad oordeelde dat aan het inroepen van een opschortingsrecht wegens ondeugdelijk uitgevoerd werk, niet in de weg staat dat een werk nog niet is opgeleverd en dat gebreken eventueel nog hersteld zouden kunnen worden:

“Het opschortingsrecht strekt immers juist  ertoe druk op [verweerder] uit te oefenen om de tegenvordering na te komen en heeft, voor het geval [verweerder] daarmee in gebreke zou blijven, mede het karakter van zekerheid voor de voldoening (door middel van verrekening) van de uit zijn verzuim voortvloeiende schadevordering (…)”

De conclusie is dat een opdrachtgever die een (terechte) klacht heeft over de prestaties van een aannemer, niet hoeft af te wachten tot het moment van oplevering of totdat er gebreken ontstaan die niet meer te herstellen zijn. Hij kan door opschorting van (termijn)betalingen afdwingen dat de aannemer zekerheid biedt dat het werk deugdelijk zal worden uitgevoerd.

Hoge Raad 17 januari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2014:95

Door mr. R.M. Pieterse

"

Actualiteiten overzicht