Nieuwsbrief voor overheden

Het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard kreeg een planschadeverzoek vanwege het planologisch mogelijk maken van windturbines en wees dat verzoek af. Het advies dat aan die afwijzing ten grondslag lag kan de toets van de Afdeling niet doorstaan. In deze uitspraak worden enkele elementen uit het toetsingskader bij planschade nader besproken.

Twee woningeigenaren verzochten het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard in 2014 om een tegemoetkoming in planschade, vanwege twee bestemmingsplannen die de realisatie van een windpark mogelijk maken. Dat verzoek werd afgewezen en het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Het vervolgens ingestelde beroep werd eveneens ongegrond verklaard.

In hoger beroep voeren de woningeigenaren aan dat de drie percelen waar het om gaat door de planologische wijzigingen aanzienlijk in waarde zijn gedaald. Per perceel zou het om een waardedaling van rond de € 100.000,-- gaan. Het college heeft in deze zaak drie keer planschadeadvies gevraagd. De adviseur heeft de door de planologische mogelijkheid om windturbines te plaatsen geleden planschade begroot op € 20.000,-- per perceel. De plaatsing van een windturbine moet volgens hem als een normale maatschappelijke ontwikkeling gezien worden, waardoor er reden is om een hogere aftrek voor het normaal maatschappelijk risico te hanteren dan de forfaitaire drempel van 2 procent. Deze korting wordt niet verder uitgewerkt.

De Afdeling schetst in een tussenuitspraak onder verwijzing naar eerdere uitspraken een helder toetsingskader en gaat bij de behandeling van het hoger beroep in op de volgende punten:

  1. voorzienbaarheid;
  2. schade anderszins verzekerd;
  3. omvang van de schade.

Ik zet ze hierna kort uiteen.

Ad a.    Voorzienbaarheid

Het college heeft verwezen naar het Structuurplan uit het jaar 2000, waarin was opgenomen: “Windenergie zou in combinatie met de andere duurzame bronnen kunnen worden toegepast.” De Afdeling is van oordeel dat uit dit citaat niet kan worden afgeleid dat windenergie zal worden toegepast, en zo ja, in welke vorm of omvang. Ook het raadsbesluit waarbij besloten werd tot de toepassing van windenergie in het plangebied van het Structuurplan is niet voldoende concreet. De enkele publicatie van een agenda of besluitenlijst, zonder dat daarbij melding gemaakt wordt van de inhoud van het voornemen of voorstel is volgens vaste rechtspraak onvoldoende om voorzienbaarheid te kunnen aannemen (ECLI:NL:RVS:2014:4239).

Ad b.    Schade anderszins verzekerd

Bij de beantwoording van de vraag of schade voldoende anderszins is verzekerd moet rekening gehouden worden met alle relevante feiten en omstandigheden (ECLI:NL:RVS:2008:BD2119). De verwijzing naar een koopovereenkomst kan het college niet baten, omdat vaststaat dat in de genoemde koopovereenkomst niets is opgenomen waaruit kan worden afgeleid dat daarin ook afspraken zijn gemaakt over compensatie voor te lijden planschade door windturbines.

Ad c.    Omvang van de schade

Het college heeft het advies van een onafhankelijke deskundige ingeroepen ten aanzien van de omvang van de schade. Daar mag het college in beginsel van uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (ECLI:NL:RVS:2016:2528, de overzichtsuitspraak die in onze vorige nieuwsbrief aan de orde kwam). Omdat de adviseur van het college in dit geval zijn overwegingen niet heeft onderbouwd en evenmin inzichtelijk heeft gemaakt komt de Afdeling tot de conclusie dat het college het advies niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

De woningeigenaren hebben ten slotte betoogd dat het college het verschil tussen de getaxeerde waardedalingen in het kader van de planschade en de WOZ-waardedalingen nader had moeten motiveren. Dit kan volgens de Afdeling van het college verlangd worden, omdat er een aanzienlijk verschil tussen de WOZ-waarde en de taxatiewaarde in het kader van de planschade bestaat en de peildata voldoende dicht bij elkaar liggen (ECLI:NL:RVS:2010:BM7718). Het verweer van het college dat het verschil aan de financiële crisis toegeschreven zou moeten worden volgt de Afdeling niet.

De Afdeling draagt het college op om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

ABRvS  30 november 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:3196

  

Door Ad Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht