Nieuwsbrief voor overheden

Appellante exploiteerde op haar perceel in Wilnis een paardenkraamhotel. In het hotel worden tussen maart en augustus hoogdrachtige merries opgevangen, van circa 1,5 maand vóór tot 1 maand ná de bevalling, waarna de merries en veulens weer vertrekken. In 2022 verleende het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur van 16 meter lang voor gebruik als paardenkraamhotel, met afwijking van het bestemmingsplan. Uit een controle in januari 2024 bleek dat de schuur 20 meter lang was gebouwd. Appellante vroeg vervolgens een omgevingsvergunning aan voor legalisering van de uitbreiding. Het college weigerde die vergunning, een weigering die in bezwaar, beroep en hoger beroep in stand bleef.

Geen agrarisch bedrijf: verzorgingselement staat voorop
Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden'. Die bestemming staat grondgebonden agrarische bedrijven toe. Een agrarisch bedrijf is in de planregels gedefinieerd als een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, waaronder een paardenhouderij en paardenfokkerij, maar geen manege. Appellante betoogde dat haar bedrijf als grondgebonden agrarisch bedrijf kon worden aangemerkt, omdat zij naast eigen merries structureel meerdere drachtige merries hield met weidegang, voedervoorziening van eigen grond en mestafzet op eigen perceel.

De Afdeling volgde dat betoog niet. Het paardenkraamhotel brengt geen producten voort: het verzorgingselement staat voorop. Het is ook geen paardenfokkerij, want het fokken zelf vindt elders plaats en er vindt geen verkoop van gefokte paarden plaats. Evenmin is het een paardenhouderij, omdat dat begrip in de planregels ziet op het uitsluitend houden, stallen of africhten van paarden voor langere tijd. De opvang in het kraamhotel is tijdelijk van aard en gericht op het laten bevallen en de kraamzorg. Het paardenkraamhotel valt daarmee buiten de agrarische bestemming.

Eerder verleende vergunning biedt geen grondslag voor nieuwe aanvraag
Appellante voerde aan dat het college met de omgevingsvergunning van 2022 het gebruik van het perceel als paardenkraamhotel al had goedgekeurd, en dat de weigering van de uitbreidingsvergunning daarmee in strijd was. De Afdeling verwierp ook dit betoog. Zij bevestigde de onder de Wabo gevormde vaste rechtspraak: een omgevingsvergunning die afwijkt van het bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op het vergunde bouwplan en het vergunde gebruik en biedt geen grondslag voor een nieuwe aanvraag voor een ander of uitgebreid bouwplan op dezelfde locatie. De Afdeling verklaarde die rechtspraak van toepassing onder de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omvat alleen de toestemming voor de aangevraagde activiteit en houdt geen wijziging van het omgevingsplan in. Artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet brengt daarin geen verandering: dat artikel eerbiedigt bestaande rechten, maar wijzigt niet het rechtsgevolg van de verleende vergunning.

Ook de weg via de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 34.1 van de planregel, die afwijkingen van maten tot 10% toestaat, bood geen uitkomst. Die bepaling kan alleen worden toegepast voor activiteiten die passen binnen de bestemming. Nu het paardenkraamhotel geen agrarisch bedrijf is, is er strijd met de bestemming zelf en niet slechts met een maatvoeringsregel. Afwijking van maten helpt in dat geval niet.

Verstedelijkingsverbod landelijk gebied: de provinciale slotvraag
Voor de route van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gold een zelfstandige weigeringsgrond. Artikel 9.3 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht verbiedt verstedelijking in het landelijk gebied. Onder stedelijke functie valt, zo volgt uit de begripsbepalingen bij de OVU, een niet-agrarisch bedrijf. Nu het paardenkraamhotel geen agrarisch bedrijf is, vormt de uitbreiding ervan de uitbreiding van een stedelijke functie, wat in het landelijk gebied niet is toegestaan. Het college was op grond van artikel 8.0b, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving gehouden de vergunning te weigeren. De uitspraak onderstreept dat initiatiefnemers met een concept dat buiten de reguliere agrarische definities valt, niet kunnen terugvallen op eerder verleende vergunningen voor uitbreiding, en ook niet langs de weg van de buitenplanse afwijking ontkomen aan provinciale instructieregels die verstedelijking in het landelijk gebied verbieden.

ABRvS 24 juni 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:3406

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team