Nieuwsbrief voor overheden
Afgelopen zomer kwam de rechtbank Rotterdam tot een uitspraak in de geruchtmakende zaak tegen de Limburgse politicus Jos van Rey. Van Rey werd verdacht van informatie lekken, verkiezingsfraude, het ronselen van stemmen, corruptie – door het aannemen van o.a. voetbalreizen naar EK’s en WK’s - en witwassen. Het zeer grondige onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) leverde een dossier op van 110 ordners, 15,5 Gigabyte aan pdf’s en ruim 80 door de rechter-commissaris gehoorde getuigen. Ondanks al die inspanningen van het OM kwam Van Rey er vanaf met slechts een taakstraf. De uitspraak van de rechtbank was dan ook vooral dodelijk voor het OM, aldus de media.
De berichtgeving in de media over de uitkomst van deze strafzaak zou bij ambtenaren de indruk kunnen wekken dat het aannemen van snoepreizen en andere geschenken niet veel kwaad kan. Uit de uitspraak in de zaak van Van Rey blijkt echter dat er strafrechtelijk gezien al snel sprake is van corruptie. Voor het bewijs van (passieve) ambtelijke corruptie moet komen vast te staan dat de ambtenaar een gift heeft aangenomen of gevraagd, terwijl die ambtenaar wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gift(en) aan hem werd(en) gedaan om hem als ambtenaar iets te laten doen of te doen nalaten. De ondergrens is voorwaardelijk opzet. In gewone mensentaal betekent dat dat de ambtenaar op zijn klompen kon aanvoelen dat de gift(en) hem niet alleen gedaan werd(en), omdat de gever hem zo’n aardige vent vond, maar óók omdat de gever dacht dat de gift op enig moment een voordeel kon opleveren. Voor een bewezenverklaring hoeft er geen direct verband te worden vastgesteld tussen de gift en een bepaalde concrete tegenprestatie. Sterker nog, ook als er nog geen of in het geheel geen tegenprestatie is geleverd door de ambtenaar kan er sprake zijn van passieve ambtelijke corruptie. Met andere woorden, ook als de ambtenaar geen tegenprestatie levert voor de ontvangen gift(en), kan dit als corruptie worden aangemerkt. Kortom: pas op met het aannemen van geschenken. De strafrechter verwacht van een ambtenaar dat hij doorziet dat mensen er belang bij kunnen hebben om hem te beïnvloeden. Waak er dus voor dat u voldoende afstand houdt!
Van Rey kwam er strafrechtelijk gezien misschien relatief goed van af. Een ontzetting uit het recht om een bestuurlijk ambt te bekleden vond de rechtbank geen passende sanctie. Echter niet omdat deze straf te zwaar zou zijn, maar omdat Van Rey deze in feite al had gehad. Alleen al door de verdenking van het plegen van strafbare feiten, was hij al jaren niet meer werkzaam als wethouder en Eerste Kamerlid.
Een vrij recente zaak die speelde bij de rechtbank Oost-Brabant bevestigt de ingrijpende gevolgen voor ambtenaren van strafrechtelijk verwijtbaar handelen. In die zaak werd een ambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting. Ook in die zaak viel de straf wellicht mee: een taakstraf van 240 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die straf hield de rechtbank er echter rekening mee dat het – gelet op het strafontslag bij de gemeente ’s-Hertogenbosch - onwaarschijnlijk was dat de verdachte ooit nog als ambtenaar in de publieke dienst zou worden aangesteld. Bovendien werd in die zaak een vordering van de gemeente ’s-Hertogenbosch in haar hoedanigheid van benadeelde partij toegewezen. De ambtenaar moest een bedrag van ruim twee ton (!) terugbetalen aan de gemeente.
In deze laatste zaak ging het overduidelijk om een corrupte ambtenaar die heel goed wist dat hij zijn boekje te buiten ging. Uit de uitspraak in de zaak Van Rey blijkt echter dat er strafrechtelijk gezien al vrij snel sprake kan zijn van ambtelijke corruptie, daarvoor is geen kwade opzet vereist. Zoals gezegd is het al voldoende dat de ambtenaar redelijkerwijs kon weten dat de gever door middel van het geschenk een voorkeursrelatie probeerde te bewerkstelligen. Alleen het aannemen van het geschenk, zonder dat daarvoor een tegenprestatie tegenover staat, kan dus al strafbaar zijn. Wees gewaarschuwd!
Rb Rotterdam 12 juli 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2016:5272
Rb Oost-Brabant 5 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOBR:2016:5478
Door Sandra d’Hooghe
"