Nieuwsbrief voor overheden

Op 3 februari 2020 deed de rechtbank Rotterdam een uitspraak die wij in deze vorm niet vaak meer zullen tegenkomen. De zaak ging over zogenaamd ‘politiek verlof’ van een ambtenaar en diens (poging tot) terugkeer na beëindiging van zijn politieke functie. De mogelijkheden voor ambtenaren tot het verkrijgen van ‘politiek verlof’ en de voorzieningen die daarbij gelden zijn bij de normalisering van de ambtelijke rechtspositie danig gekortwiekt. De –minder ruime- bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) over ‘politiek verlof’ zijn nu van toepassing. De toekomst moet uitwijzen of het politiek verlof terugkeert op de cao-tafels van de overheidssectoren, en zo niet, hoe de kantonrechter met (de weigering van) politiek verlof voor ambtenaren zal omgaan.

Omdat het ‘oude recht’ op het vlak van het politiek verlof ingrijpend is gewijzigd, behandel ik de casus slechts kort. Het belang van deze bespreking schuilt immers in het contrast met de regels die sinds 1 januari jl. gelden. Wat deed zich voor? Een ambtenaar van de gemeente Vlaardingen verzocht en kreeg in 2013 politiek verlof in verband met een benoeming in een politieke functie in een andere gemeente. In artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 (AW 1929) was bepaald dat een ambtenaar die een politieke functie ging vervullen welke hij niet gelijktijdig kon vervullen met zijn ambt, in verband daarmee tijdelijk werd ontheven van de waarneming van zijn ambt, tenzij het dienstbelang zich tegen deze ontheffing verzette. De ambtenaar in casu kreeg politiek verlof voor 25,2 uur per week, en bleef de resterende 10,8 uur per week werken voor de gemeente. Na afloop van het politiek verlof verzocht betrokkene om herstel in actieve dienst, doorliep hij zonder succes een herplaatsingstraject van zes maanden, en kreeg hij vervolgens voor zijn volledige aanstelling ontslag op grond van artikel 8:9 van de CAR/UWO. In artikel 8:9 CAR/UWO was –kort gezegd- geregeld dat een gemeenteambtenaar die na politiek verlof niet in actieve dienst kon worden hersteld, door het college eervol kon worden ontslagen. In deze zaak verklaart de rechtbank het beroep gegrond voor zover dit was gericht tegen het ontslag voor 10,8 uur per week. Het politiek verlof zat immers niet op die uren, en betrokkene was deze uren al die tijd blijven werken. Het ontslag voor de 25,2 uur blijft wel in stand. Het herplaatsingsonderzoek dat had plaatsgevonden vond de rechtbank voldoende om te gelden als ‘gedegen’ onderzoek.

Bij de normalisering van de ambtelijke rechtspositie op 1 januari jl. is artikel 125c, eerste lid, van de AW 1929 geschrapt en is artikel 8:9 CAR/UWO komen te vervallen. Politiek verlof dat al vóór de normalisering aan ambtenaren is verleend maakt naar alle waarschijnlijkheid deel uit van de arbeidsovereenkomst die bij die ambtenaren op 1 januari jl. van rechtswege is ontstaan. Dit politiek verlof loopt dus door. Maar als het politiek verlof eindigt, ontbreekt nu de ontslaggrond van artikel 8:9 CAR/UWO. De verplichting tot herplaatsing van artikel 7:669, eerste lid, BW zal moeten worden nageleefd, maar het is de vraag welke redelijke grond werkgever heeft voor de opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst als die herplaatsing onverhoopt niet succesvol blijkt. Misschien biedt de h-grond (‘andere dan de hiervoor genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’) voor de werkgever soelaas, maar dat zal nog moeten blijken.

Wanneer de ambtenaar ná 1 januari 2020 is of wordt benoemd of verkozen in een publiekrechtelijk college, is zoals gezegd het BW van toepassing. En het BW is op dit punt een stuk minder toeschietelijk voor de ambtenaar dan artikel 125c van de AW dat destijds was. Op grond van artikel 7:643 BW heeft een werknemer c.q. ambtenaar recht op onbetaald verlof voor het als lid bijwonen van vergaderingen van de Eerste Kamer, provinciale staten, gemeenteraden en het waterschapsbestuur. Gedurende dit verlof bouwt hij vakantieaanspraken op (zie artikel 7:635, eerste lid, BW) en geldt hiervoor op grond van artikel 7:670, zesde lid, van het BW een opzegverbod voor de werkgever. Voor een verkiezing in de Tweede Kamer en een lidmaatschap van een uitvoerende college (ministerraad, gedeputeerde staten, college van B&W) geldt artikel 7:643 BW echter niet. Onder het burgerlijk recht kan een werknemer c.q. ambtenaar die een voltijds bezoldigde politieke functie gaat vervullen door zijn werkgever dus voor de keuze worden gesteld tussen behoud van zijn baan als werknemer c.q. ambtenaar, of de –onzekere- overstap naar de politieke functie. Onder het ‘oude’ ambtenarenrecht bleef bij politiek verlof voor een verkiezing in de Tweede Kamer of uitvoerende politieke functies zoals een wethouderschap altijd nog een ‘slapend’ dienstverband bij de oorspronkelijke werkgever bestaan, maar deze faciliterende opstelling van de overheid als werkgever is nu dus voorbij. Althans, tenzij de cao-partijen van de overheidssectoren op dit punt op hun schreden terugkeren natuurlijk.

Rb Rotterdam 3 februari 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2020:1231

Door Bas de Moor

"

Actualiteiten overzicht