Nieuwsbrief voor overheden

De burgemeester van Breda besloot op 3 februari 2015 om een woning voor drie maanden te sluiten, vanwege de vondst van 721 XTC-pillen. In de woning woonde een vrouw met haar drie kinderen van 7, 4 en 2 jaar oud. In de nacht waarin de pillen werden ontdekt, verbleef ook de ex-partner van de vrouw op het adres. De ex-partner had de XTC-pillen in de schuur bij de woning verstopt.

In de uitspraak wordt geen aandacht besteed aan de positie van de schuur ten opzichte van de woning, zodat we waarschijnlijk ervan uit mogen gaan dat de beide bouwwerken met elkaar verbonden zijn (zie de uitspraak die ik in nieuwsbrief 2016, nr. 4 besprak) en een sluiting van de woning met de vondst in de schuur gerechtvaardigd was.

De burgemeester is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank volgens hem ten onrechte heeft geoordeeld dat er in dit geval dermate bijzondere omstandigheden bestonden dat de burgemeester gebruik had moeten maken van zijn afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Die omstandigheden waren in dit geval dat de vrouw op een zogenoemde zwarte lijst zal komen te staan bij de woningbouwverenigingen, dat haar huurovereenkomst ontbonden zal worden en dat de woningsluiting psychische gevolgen zal hebben voor de vrouw en haar kinderen.

De overweging die de Afdeling hieraan wijdt is in zijn algemeenheid interessant, omdat de Afdeling expliciet een andere uitleg kiest van artikel 4:84 Awb dan voorheen:

“4.3. De Afdeling is thans - anders dan voorheen en anders dan de burgemeester betoogt - van oordeel dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. In de praktijk blijkt dat ook al heeft het betrokken bestuursorgaan bij het opstellen van de beleidsregel deze omstandigheden bezien, het daarmee niet heeft kunnen voorzien of deze omstandigheden alleen of tezamen in een concreet geval niettemin tot onevenredige gevolgen leiden. Het bestuursorgaan dient derhalve alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.”

De Afdeling heeft in dit geval overwogen dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de woningsluiting psychische gevolgen heeft voor de vrouw en haar kinderen. De psychische klachten van de vrouw en haar kinderen werden slechts onderbouwd door twee documenten van de huisarts en een document van een maatschappelijk werkster. Dat is volgens de Afdeling onvoldoende. Het hoger beroep van de burgemeester is om die reden gegrond.

Dat maakt niet dat het primaire besluit in stand kan blijven. De Afdeling heeft overwogen dat de eerste twee omstandigheden door de burgemeester niet in overweging zijn genomen, terwijl hij dat op grond van de hiervoor opgenomen overweging wel moest doen, en dat het besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank had het echter daarbij moeten laten en het besluit niet mogen vervangen door een waarschuwing in de zin van de gemeentelijke beleidsregels.

Dat de zaak voor de burgemeester een principiële was laat de slotoverweging van de uitspraak zien. Omdat de burgemeester ter zitting heeft gesteld dat het tijdsverloop en het feit dat er zich in de tussentijd geen problemen hebben voorgedaan maken dat hij het besluit zal herroepen en zal volstaan met een waarschuwing, voorziet de Afdeling zelf in deze oplossing. Nadere besluitvorming van de burgemeester is niet meer nodig.

ABRvS 26 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:2840

 

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht