Nieuwsbrief voor overheden

Een belanghebbende kan in een procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes, gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.

Inleiding
Veel organisaties in het zorgveld zijn wettelijk verplicht om jaarlijks verantwoording af te leggen over hun prestaties. Zo laten zij zien hoe zij publiek geld besteden en hoe zij de zorg, hulp- of dienstverlening en ondersteuning hebben georganiseerd. Zij leveren daartoe gegevens aan bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). Het CIBG is een uitvoeringsorganisatie binnen het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS).

Procedure
In deze procedure had een zorginstelling niet aan zijn verplichtingen voldaan door niet tijdig de gegevens over het verslagjaar 2017 aan te leveren. De minister heeft de zorginstelling een last onder dwangsom opgelegd om alsnog aan haar wettelijke verplichtingen te voldoen. Tegen dit besluit heeft de zorginstelling geen bezwaar gemaakt. Nadat de dwangsommen waren verbeurd, is de minister overgegaan tot het invorderen van de dwangsommen ter hoogte van € 10.000,-. Tegen het invorderingsbesluit heeft de zorginstelling bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door de minister ongegrond verklaard en hiertegen richt zich het beroep.

Beoordeling
Toetsingskader
De zorginstelling heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit waarin aan haar een last onder dwangsom is opgelegd. Nu hiertegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, staat dit besluit in rechte vast. Het opleggen van de last onder dwangsom is in deze procedure niet aan de orde. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes, gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Daarmee is de rechtspraak, dat bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom niet meer aan de orde kunnen komen, in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking (ABRvS 14 februari 2018 ECLI:NL:RVS:2018:498), genuanceerd. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. De Afdeling oordeelde dat van een dergelijk uitzonderlijk in dit geval geen sprake is.

Bij de toetsing van een invorderingsbesluit dient allereerst de vraag beantwoord te worden of de last is overtreden. Indien kan worden vastgesteld dat de last is overtreden en de opgelegde dwangsom is verbeurd, geldt volgens vaste rechtspraak (ABRvS 6 februari 2019 ECLI:NL:RVS:2019:333) dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

In deze zaak was de last overtreden en was er geen sprake van bijzondere omstandigheden waarin geheel of gedeeltelijk van invordering af had moeten worden gezien.

Hoorplicht
Over de hoorplicht in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) oordeelt de Afdeling onder verwijzing naar vaste rechtspraak (ABRvS 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1365), dat van het horen mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Het horen is erop gericht om nadere informatie te verkrijgen, zodat het bestuursorgaan over alle feiten en omstandigheden beschikt teneinde een volledige heroverweging van het bestreden besluit te kunnen verrichten. De beslissing om artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. De minister heeft in deze zaak van het horen mogen afzien wegens kennelijke ongegrondheid van het bezwaar.

Het beroep is ongegrond.

ABRvS 27 mei 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2020:1292

Door Rosalin Storm

Actualiteiten overzicht