Nieuwsbrief voor overheden
In korte tijd heeft de Afdeling twee uitspraken gedaan over de vraag of appellant nog wel belang heeft bij een uitspraak op het beroep dat hij had ingesteld tegen (in het ene geval) de afwijzing van een aanvraag standplaatsvergunning en (in het andere geval) de intrekking van een standplaatsvergunning. De uitspraken lijken elkaar tegen te spreken.
In het eerste geval had appellant een aanvraag standplaatsvergunning ingediend voor het innemen van een standplaats op grond die in eigendom toebehoorde aan een derde. Deze derde had verklaard onder geen enkele voorwaarde toestemming te zullen verlenen voor het innemen van een standplaats op zijn grond. De Afdeling stelt vast dat de aanvrager naar aanleiding van die verklaring geen contact met de eigenaar opgenomen heeft en ook anderszins geen pogingen heeft gedaan om die toestemming alsnog te verkrijgen. De Afdeling concludeert dat het onder deze omstandigheden evident is dat de aanvrager geen gebruik zal kunnen maken van zijn vergunning en dat hij daarom geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep (ABRvS 17 december 2014 ECLI:NL:RVS:2014:4599).
In het tweede geval had het college van burgemeester en wethouders een standplaatsvergunning ingetrokken. De vergunninghouder stelde beroep in tegen dat besluit. Het college betoogde dat appellant geen belang meer had bij dit beroep omdat de standplaats werd ingenomen op grond die in eigendom was van de gemeente en de gemeente de gebruiksovereenkomst met betrekking tot die grond inmiddels had opgezegd.
Indachtig de eerste uitspraak, zou de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de Afdeling zou meegaan in het betoog van het college. Dat doet de Afdeling niet.
De Afdeling oordeelt dat niet is uitgesloten dat in de toekomst de gemeente de grond opnieuw gaat verhuren aan de betrokkene en dat de mogelijkheid bestaat dat de betrokkene in rechte gaat opkomen tegen de opzegging van de gebruiksovereenkomst. Dat maakt dat, volgens de Afdeling, appellant nog wel degelijk belang heeft bij het beroep (ABRvS 28 januari 2015 ECLI:NL:RVS:2015:219).
Het is niet duidelijk waarom de Afdeling in het ene geval wel en in het andere geval niet uitsluit dat de eigenaar in de toekomst de grond alsnog in gebruik zou willen geven. Wel geldt dat in het ene geval de grond al een keer in gebruik was gegeven ten behoeve van het innemen van een standplaats, terwijl in het andere geval de grond nooit in gebruik was gegeven en de eigenaar had gezegd dit ook nooit te zullen doen. Misschien is dat het onderscheid, maar dat blijkt niet duidelijk uit de uitspraak.
ABRvS 17 december 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2014:4599
ABRvS 28 januari 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2015:219
Door mr. C.J. IJdema
"