Nieuwsbrief voor overheden
De proceskosten in (met name) WOZ-zaken blijven voor veel gemeenten een doorn in het oog en een serieuze kostenpost waar rekening mee moet worden gehouden. In een zaak tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Stichtse Vecht wordt duidelijk dat zelfs bij een compromis over de WOZ-waarde, de proceskosten nog een rol van betekenis kunnen spelen.
In een procedure bij de rechtbank Midden-Nederland deed de heffingsambtenaar een voorstel om de WOZ-waarde te verlagen. De gemachtigde van belanghebbende ging akkoord met de waarde maar niet met de vergoeding van de proceskosten. Dit voorstel betrof namelijk niet de vergoeding voor het bijwonen van de zitting. De gemachtigde claimde deze kosten wegens de voorbereiding van de zitting maar ook omdat de heffingsambtenaar het compromisvoorstel vlak voor de zitting had gedaan.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen belang meer had bij een zitting omdat reeds overeenstemming was bereikt over de WOZ-waarde en grotendeels over de proceskosten. De rechtbank vond dat partijen over de proceskosten schriftelijk verder konden procederen. Volgens de rechtbank was het enige doel van de zitting een vergoeding voor de gemachtigde voor het verschijnen ter zitting. Dan is volgens de rechtbank sprake van misbruik van procesrecht. De rechtbank verklaarde het beroep dan ook niet-ontvankelijk.
Een oordeel dat veel gemeenten zullen begrijpen omdat het algemeen bekend is dat in WOZ-procedures gemachtigden procederen op basis van (door de Hoge Raad toegestane) no cure-no pay. Dit wil zeggen dat belanghebbenden in beginsel niets betalen voor de dienstverlening van de gemachtigde. Dit maakt dat slechts de gemachtigde een (financieel) belang kan hebben bij een zitting maar belanghebbende niet.
Het hof Arnhem-Leeuwarden komt echter tot het oordeel dat er nog wel een belang kan zijn bij een zitting als sprake is van een compromis over de WOZ-waarde. Het hof is van mening dat er weliswaar een compromis is bereikt, maar daarmee is de heffingsambtenaar niet geheel aan de klachten van belanghebbende tegemoetgekomen. Belanghebbende stond immers een lagere waarde voor. Omdat belanghebbende terecht in beroep is gegaan en zich niet had hoeven neerleggen bij de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde en proceskostenvergoeding, is van misbruik van procesrecht geen sprake. Daarnaast was het juist de heffingsambtenaar die een oordeel van de rechtbank wenste.
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2014:6459
Door mr. B. de Smit
"