Nieuwsbrief voor overheden
Een uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 18 juni 2020 in een Damocleszaak trekt de aandacht. Niet omdat de uitspraak tot nieuwe inzichten leidt over de toepassing van artikel 13b Opiumwet (Opw), maar omdat er een paar opmerkelijke procesrechtelijke elementen in zitten.
De burgmeester van Deventer sloot een huurwoning voor een periode van zes maanden, vanwege het aantreffen van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs, vier weegschalen en een vuurwapen. Het zal niet verbazen dat deze sluiting in rechte overeind is gebleven.
In de uitspraak van de rechtbank is overwogen dat de rechtbank met toepassing van artikel 8:83 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak heeft gedaan zonder zitting. In hoger beroep heeft de appellant opgeworpen dat hij ten onrechte niet door de rechtbank is gehoord. De Afdeling heeft overwogen dat die klacht terecht is. Het hoger beroep is om die reden gegrond. Het genoemde artikel biedt namelijk alleen de mogelijkheid om een verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting af te doen. Bij het afdoen van een hoofdzaak zonder zitting zullen partijen op grond van artikel 8:57 van de Awb in de gelegenheid gesteld moeten worden te verklaren dat zij geen gebruik willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Zie in dit verband ook onze rubriek over procederen bij de bestuursrechter in coronatijd.
De appellant heeft in hoger beroep ook naar voren gebracht dat de burgemeester, in strijd met artikel 7:15 lid 3 van de Awb, bij beslissing op bezwaar niet op zijn verzoek om vergoeding van de voor de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten heeft beslist. Gelet op het feit dat de burgemeester tien dagen na de beslissing op bezwaar, het proceskostenverzoek wel zelfstandig heeft afgewezen en het feit dat is komen vast te staan dat de appellant geen recht had op de vergoeding van proceskosten, heeft de Afdeling dit gebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd.
Het hoger beroep is gegrond, maar zoals gezegd blijft de woningsluiting overeind. Het voorgaande leidt wel tot een veroordeling van de burgemeester in de proceskosten van het beroep én het hoger beroep.
Vzr. ABRvS 18 juni 2020, www.raadvanstate.nl: ECLI:NL:RVS:2020:1432
Door Ad Schreijenberg
"