Nieuwsbrief voor overheden

De eigenaar van een bedrijfsverzamelgebouw voert besprekingen over de mogelijke huur daarvan door de gemeente Edam-Volendam. Tijdens deze besprekingen komt aan de orde het punt ‘Voorbehoud goedkeuring door de raad, uiterlijk oktober 2015’. De gemeente laat weten dat de kwestie van de huur niet wordt geagendeerd op de vergadering van 9 oktober, maar op de vergadering van 29 oktober. Op 27 oktober 2015 bericht de gemeente dat het college van burgemeester en wethouders  zou hebben besloten om het voorstel aan de gemeenteraad voor het ter beschikking stellen van een krediet wordt ingetrokken. Het college laat in een brief van 8 december 2015 aan de advocaat van de eigenaar weten dat de gemeenteraad op 26 november 2015 heeft besloten geen budget beschikbaar te stellen, zodat de huurovereenkomst niet tot stand zal komen.

Bij wege van voorlopige voorziening vordert de eigenaar bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland de gemeente te veroordelen tot betaling van de huur.

De kantonrechter overweegt om te beginnen dat het gaat om een geldvordering. Een dergelijke vordering kan in kort geding alleen worden toegewezen als de vordering aannemelijk is, als de eiser een spoedeisend belang heeft, terwijl bij de afweging van belangen ook het restitutierisico moet worden betrokken, voor het geval de bodemrechter uiteindelijk de zaak anders beoordeelt.

Gesteld dat de vordering spoedeisend zou zijn, moet de vordering hoe dan ook toch worden afgewezen omdat deze niet voldoende aannemelijk is, aldus de kantonrechter. Duidelijk was dat de totstandkoming van de huurovereenkomst afhankelijk was van de instemming van de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft op 26 november 2015 besloten deze instemming te weigeren.

De kantonrechter volgt de eigenaar niet in het standpunt dat de voorwaarde moet worden geacht vervuld te zijn doordat de gemeenteraad niet uiterlijk in oktober 2015 een beslissing heeft genomen. De mededeling ‘uiterlijk oktober 2015’ kan niet worden opgevat als een fatale termijn, waarvan overschrijding zou moeten leiden tot de conclusie dat de raad geacht moet worden instemming te hebben verleend. Het is niet aannemelijk dat beoogd is om een dergelijk fatale termijn af te spreken; veel meer voor de hand ligt dat partijen de bedoeling tot uitdrukking hebben gebracht om ernaar te streven om deze instemming uiterlijk in oktober 2015 te verkrijgen, zodat de huur kon ingaan per 1 november.

Voorts oordeelt de kantonrechter dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat alleen de handelwijze van de gemeenteraad zelf kan leiden tot het oordeel dat de voorwaarde van goedkeuring ex artikel 6:23 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor vervuld kan worden gehouden (zie HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737). Dat het college willens en wetens de vervulling van de voorwaarde heeft belet, zoals de eigenaar stelde, is dus niet van belang. Het intrekken van het voorstel is geen handelwijze van de gemeenteraad die bij de eigenaar het vertrouwen kan hebben gewekt dat de gemeenteraad met de huur van het gebouw zou instemmen.

Dit is een voorbeeld uit de rechtspraak waaruit blijkt dat niet soepel wordt aangenomen dat op een instemmingsvoorbehoud geen beroep meer kan worden gedaan.

Rb Noord-Holland 11 februari 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNHO:2016:4467

Door mr. U.T. Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht