Nieuwsbrief voor overheden
Een recente uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw bevestigt nog maar eens dat het noodzakelijk is om alle afzonderlijke werkzaamheden in een RAW-bestek gedetailleerd te beschrijven. Betrokken aannemer wordt wel op zijn vingers getikt voor het gedurende de procedure nog ophogen van zijn vordering.
In 2015 gaf de gemeente opdracht aan een aannemer om een terrein her in te richten inclusief het vervangen van het riool. Duidelijk was dat sprake was van verontreiniging van het terrein en dat daarom een deel van de grond moest worden afgevoerd. De aannemer schrijft in op de opdracht en begroot daarbij een deel van de werkzaamheden onder het ‘werken onder 3T condities’. Na de opdrachtverstrekking levert de gemeente nadere informatie, waaronder het saneringsplan, aan: alle werkzaamheden moeten onder 3T condities worden uitgevoerd en nader onderzoek naar mogelijke explosieven blijkt noodzakelijk. De werkzaamheden worden uiteindelijk ongeveer een half jaar later opgeleverd dan overeengekomen, waarna de aannemer zich op het standpunt stelt dat zij recht heeft op meerwerk en vertragingsschade.
De eerste vraag die arbiters moeten beantwoorden, is of ten aanzien van het ‘werken onder 3T condities’ sprake is van meerwerk als bedoeld in paragraaf 35 en 36 UAV 2012. Arbiters beantwoorden deze vraag positief. Inschrijvers op een RAW-bestek mogen er, aldus de arbiters, namelijk vanuit gaan dat alle resultaatsverplichtingen in het bestek zijn opgenomen. Dat was in dit geval niet zo omdat de 3T condities alleen bij het ontgraven en vervoeren van de grond waren genoemd en niet bij de overige werkzaamheden. Dat uit het tijdens de aanbestedingsprocedure verstrekte V&G-plan en de bodemrapporten volgde dat alle grond verontreinigd was, maakt zulks volgens arbiters niet anders. Uit de bij het RAW-bestek gevoegde bijlagen volgt namelijk niet zonder meer dat alle grondwerkzaamheden onder 3T condities zouden moeten worden uitgevoerd en ook de reactie van de gemeente op de tijdens de aanbestedingsprocedure gestelde vragen gaven geen aanleiding voor een ander oordeel. Aannemer had de gemeente dan ook niet hoeven te waarschuwen, want er was geen sprake van een klaarblijkelijke fout in het bestek. Van de gevorderde € 136.000,- ontvangt de aannemer ongeveer € 36.000,- vermeerderd met de wettelijke handelsrente en verhoging volgens paragraaf 45 lid 2 UAV 2012.
Vervolgens stellen arbiters vast dat de uitvoering van de werkzaamheden maximaal 12 weken is vertraagd door hoofdzakelijk het onderzoek naar niet gesprongen explosieven. Ten aanzien daarvan staat vast dat de aannemer op basis van de nota van inlichtingen geen rekening had hoeven houden met stagnatie door dit onderzoek. De gemeente had de aannemer dan ook al een aanzienlijk meerwerkbedrag voor het onderzoek uitbetaald en stelde zich op het standpunt verder niets meer te hoeven vergoeden. Arbiters wijzen desalniettemin € 82.000,- vermeerderd met de wettelijke rente (niet handelsrente, want schadevergoeding is geen handelsovereenkomst) en de verhoging volgens paragraaf 45 lid 2 UAV 2012 toe. Ter zake van de stagnatieschade doet zich nog iets opmerkelijks voor. De aannemer heeft tijdens de werkzaamheden haar schade begroot op ongeveer € 296.000,-, terwijl zij in de procedure (ruim twee jaar na de oplevering) haar schadeopstelling heeft verhoogd naar € 319.000,-. Dit laatste bedrag en de daaraan ten grondslag liggende schadeopstelling wordt door de arbiters onder verwijzing naar paragraaf 6 lid 15 UAV 2012 als tardief ter zijde gelegd. Volgens arbiters zou aannemer namelijk in strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld door in dat stadium haar schadeopstelling nog te wijzigen.
RvA 11 maart 2019, www.raadvanarbitrage.nl: 36.317
Door Anouk Broekman-de Feijter
"