Nieuwsbrief voor overheden
In de Wet tijdelijk huisverbod is de bevoegdheid opgenomen voor de rechter om een huisverbod dat nog geldt op de dag van de uitspraak op te heffen waar er zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar op dat moment geweken is. In deze zaak maakte de rechtbank volgens de Afdeling ten onrechte gebruik van die bevoegdheid.
De burgemeester van Amsterdam heeft een man op 12 juni 2016 een huisverbod opgelegd. De vriendin van de man verklaarde dat zij door hem geslagen werd, met een mes uit de keuken bedreigd werd en dat hij haar keel had dichtgeknepen. Hun twee minderjarige dochters waren toen niet in de woning. De vrouw verklaarde ook dat zij twee keer eerder door de man is mishandeld.
De uithuisgeplaatste man heeft tegen het besluit tot oplegging van het huisverbod beroep ingesteld. Bij mondelinge uitspraak van 15 juni 2016 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard en het huisverbod, dat was opgelegd tot 22 juni 2016, vanaf 17 juni 2016 opgeheven. Daarbij heeft de rechter gebruik gemaakt van de in artikel 6, lid 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) gegeven bevoegdheid om het huisverbod op te heffen als er zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet. Daarbij vond de rechtbank de volgende omstandigheden van belang:
- dat de vrouw haar kinderen voor opvang heeft ondergebracht bij vrienden waar ook de man verbleef;
- dat de vrouw niet ter zitting is verschenen;
- dat de man heeft aangegeven op 16 juni 2016 in gesprek te gaan met hulpverlening.
De burgemeester heeft daarop hoger beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat het aan de man was om afstand te houden van de bij de vrienden ondergebrachte kinderen, omdat het contactverbod ook voor contacten met de kinderen gold. Daarnaast was volgens de burgemeester niet in te zien waarom het niet verschijnen van de vrouw ter zitting haar wordt aangerekend. Zij was immers nog van slag en kon en wilde haar vriend niet zien of spreken. Ten slotte maakt de stelling dat de man hulpverlening wilde aanvaarden volgens de burgemeester nog niet dat een reële aanvang met hulpverlening gemaakt is.
De Afdeling heeft op die gronden het hoger beroep gegrond verklaard. De Afdeling heeft overwogen dat de rechter zijn bevoegdheid om het huisverbod op te heffen terughoudend moet toepassen. De door de rechtbank genoemde omstandigheden acht de Afdeling geen omstandigheden die maken dat de dreiging van gevaar zich niet langer voordoet.
In een eerdere bijdrage constateerde ik al dat de Wth, en dan met name ten aanzien van de reële aanvang met hulpverlening die vereist is om een huisverbod op te heffen, bij lagere rechters niet altijd bekende materie is. Deze uitspraak onderstreept dat wederom. Alleen de toezegging hulp te gaan zoeken is onvoldoende voor de conclusie dat het gevaar is geweken.
ABRvS 6 september 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:2384
Door Ad Schreijenberg
"