Nieuwsbrief voor overheden

De burgemeester van Heerenveen heeft iemand bij besluit van 4 november 2013 een tijdelijk huisverbod van tien dagen opgelegd. De voorzieningenrechter heeft op 14 november 2013 (tien dagen later dus) het daar door appellant tegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de burgemeester veroordeeld in de proceskosten. Deze uitspraak betreft de uitspraak van de Afdeling in het hoger beroep van de burgemeester.

Het huisverbod heeft volgens de voorzieningenrechter ten doel om verdere escalatie van een conflict in de woning te voorkomen en hulpverlening in gang te zetten voor zowel de uithuisgeplaatste als de achterblijvers. Nu op basis van de feiten en omstandigheden voldoende duidelijk was dat de woning niet meer gezamenlijk werd bewoond was het huisverbod onrechtmatig. De belangrijkste beroepsgrond van de burgemeester is dat op het moment van het nemen van het besluit niet bekend was dat de echtgenote uit de woning was vertrokken en zij erg onduidelijk was over haar plannen.

De Afdeling overweegt dat als het huisverbod nog geldt op de dag dat de rechter uitspraak doet, hij op grond van artikel 6, tweede lid van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth), moet bezien of zich na de oplegging van het huisverbod feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de toetsing door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren. Als de rechter een besluit tot oplegging van een huisverbod vernietigt wegens feiten en omstandigheden die zich na de oplegging van het huisverbod hebben voorgedaan moet hij echter wel bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten tot het moment van zijn uitspraak.

Gezien de ernst van de feiten en signalen op grond waarvan de burgemeester tot zijn besluit kwam, overweegt de Afdeling dat de burgemeester in redelijkheid het huisverbod heeft kunnen opleggen. Dat maakt dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet de rechtsgevolgen van het besluit van 4 november in stand heeft gelaten tot het tijdstip van zijn uitspraak. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter op dat punt, maar laat de proceskostenveroordeling van de burgemeester in stand.

De vraag is wat partijen in maart 2015 nog hebben aan deze uitspraak. Met terugwerkende kracht was van 4 tot 14 november 2013 een huisverbod van kracht. De burgemeester hoeft geen nieuw besluit te nemen (wat in dit geval ook vreemd zou zijn). Verder heeft de burgemeester de bevestiging dat hij in redelijkheid zijn besluit heeft kunnen nemen. Dat is van belang voor toekomstige besluiten van deze aard. De Wth leidt telkens weer tot opvallende uitspraken. Toch wordt al met al duidelijker hoe burgemeesters de wet het best kunnen toepassen. Aan die duidelijkheid draagt deze uitspraak weer bij.

ABRvS 25 maart 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2015:908

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht