Nieuwsbrief voor overheden
Rechtsverwerking is het door eigen handelen of nalaten geen beroep meer kunnen doen op een wettelijk recht of bevoegdheid. Het recht of de bevoegdheid is dan komen te vervallen. Rechtsverwerking is als begrip afkomstig uit het burgerlijk recht en komt in het bestuursrecht als zodanig – tot recent – niet of nauwelijks voor. In het ambtelijk ontslagrecht komen we bijvoorbeeld wel het leerstuk van het tijdsverloop tegen. Dit houdt in dat het verstrijken van tijd tussen de constatering van plichtsverzuim en de oplegging van een disciplinaire straf een drukkend effect heeft op de hoogte van de ten tijde van de bestraffing nog mogelijke strafmaat. Een recente uitspraak van de Centrale Raad maakt duidelijk dat rechtsverwerking in het ambtenarenrecht ook buiten het tuchtrecht aan de orde is. In die uitspraak wordt het begrip ‘rechtsverwerking’ ook expliciet aangehaald, wat in het bestuursrecht zoals gezegd toch tamelijk bijzonder is.
Wat was het geval? Een penitentiair inrichtingsmedewerker trad in 2002 in dienst. In 2011 is hij door zijn werkgever gehoord naar aanleiding van informatie dat hij in 1995 onherroepelijk was veroordeeld door de Braziliaanse rechter voor een poging tot uitvoer van ruim 13 kilo cocaïne vanuit Brazilië naar Nederland. Nadat deze informatie verdergaand is onderzocht, is betrokkene in 2012 ontslag verleend wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen bij of in verband met zijn indiensttreding. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Centrale Raad staat vast dat betrokkene bij indiensttreding niet heeft gemeld dat hij onherroepelijk door de Braziliaanse rechter is veroordeeld, dat betrokkene anders niet in dienst zou zijn genomen en dat hij niet te goeder trouw heeft gehandeld. Er is dus voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op genoemde grond. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de werkgever in 2012 nog bevoegd was om aan betrokkene ontslag te verlenen, gelet op de informatie die in 2004/2005 bij de toenmalige directie van zijn werkgever al bekend was en de handelwijze van de werkgever destijds. In 2004/2005 heeft betrokkene zijn toenmalige directie namelijk op de hoogte gesteld van zijn detentie en veroordeling vanwege een drugsdelict in Brazilië. Betrokkene heeft destijds verklaard dat hij onschuldig was aangehouden doordat collega-taxichauffeurs met wie hij op reis was hem ‘erin geluisd’ hadden. Door tussenkomst van de Nederlandse ambassade had hij na zijn ontsnapping uit detentie een vrijgeleide naar Nederland gekregen, waarop hij in Brazilië bij verstek is veroordeeld. De toenmalige directie heeft niets met deze informatie gedaan, omdat betrokkene al geruime tijd voor Dienst Justitiële Inrichtingen werkzaam was, een vaste aanstelling had, hij uitstekend functioneerde en er verder geen antecedenten of dossier van betrokkene waren.
In 2012 is geen nieuwe informatie bekend geworden ten opzichte van wat in 2004/2005 al bekend was, behalve de hoeveelheid drugs die het zou hebben betroffen. De Centrale Raad is van oordeel dat de informatie over de hoeveelheid drugs geen ander licht op de kwestie werpt. Bovendien valt niet in te zien dat de informatie over de hoeveelheid drugs niet ook al in 2004/2005 op tafel had kunnen komen, indien de toenmalige directie een onderzoek had laten instellen naar de mededeling van betrokkene over zijn detentie en veroordeling. De Centrale Raad spreekt vervolgens als eindoordeel uit dat aangezien de toenmalige directie al in 2004/2005 bekend was met de detentie en veroordeling en geen gebruik heeft gemaakt van haar ontslagbevoegdheid, de werkgever zijn recht heeft verwerkt om betrokkene in 2012 alsnog ontslag te verlenen wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen bij indiensttreding. Daarbij neemt de Centrale Raad in aanmerking dat de toenmalige directie destijds kennelijk niet aan de geloofwaardigheid van betrokkene heeft getwijfeld en in hem geen onaanvaardbaar veiligheidsrisico heeft gezien nu zij het dienstverband met betrokkene heeft voortgezet. Niet is gebleken dat het verleden van betrokkene zijn functioneren heeft belemmerd. De werkgever was in 2012 dus eenvoudigweg niet meer bevoegd om betrokkene ontslag te verlenen wegens het verstrekken van onvolledige inlichtingen bij zijn indiensttreding in 2002. Aan de toetsing of een dergelijke ontslagverlening niet onredelijk was komt de Centrale Raad in deze uitspraak niet toe.
CRvB 3 december 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2015:4373
"