Nieuwsbrief voor overheden

De Belastingdienst voert al sinds 2005 een ontmoedigingsbeleid ten aanzien van regelingen tussen werkgevers en oudere werknemers (of ambtenaren) die strekken tot overbrugging van de periode tot het ouderdomspensioen. Onderdeel van dit beleid is artikel 32ba van de Wet Loonbelasting 1964. Deze bepaling houdt in dat op een ‘regeling vervroegde uittreding’ (“Rvu”) een zogenaamde pseudo-eindheffing van 52% over de waarde van de regeling wordt toegepast. Jurisprudentie over de vraag wanneer een vertrekregeling een Rvu is, is schaars.

Bij de Hoge Raad ligt een cassatieberoep van de Staatsecretaris van Financiën voor in een procedure die door de Belastingdienst kennelijk als proefproces wordt uitgeprocedeerd. Bij de rechtbank en het hof trok de Belastingdienst namelijk aan het kortste eind. De zaak speelt bij een besloten vennootschap, maar is ook voor overheidslichamen van belang. In een sociaal plan van de BV ten behoeve van een reorganisatie met afvloeiing van personeel is behalve het afspiegelingsbeginsel een vrijwilligers– en plaatsmakersregeling opgenomen. De Belastingdienst is van mening dat er sprake is van een Rvu. Daarbij is in geschil of voor de beoordeling van deze kwalificatie het gehele sociaal plan in aanmerking moet worden genomen, of alleen de toepassing van de vrijwilligers– en plaatsmakersregeling op werknemers van de BV van 55 jaar en ouder. In het sociaal plan worden de boventallige werknemers aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uitwisselbare functies. Een werknemer kan onder toekenning van een beëindigingsvergoeding volgens de “oude” kantonrechtersformule plaatsmaken voor een werknemer van wie de arbeidsplaats gaat vervallen. De vrijwilligersregeling kent een zelfde constructie, maar dan zonder koppeling met de positie van een medewerker die boventallig is geworden. Zowel ten aanzien van de vrijwilligersregeling als de plaatsmakersregeling geldt dat uitdrukkelijk schriftelijke toestemming van de werkgever is vereist om gebruik te mogen maken van deze regelingen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet bij de beoordeling of er sprake is van een Rvu een objectieve toets worden aangelegd. De intenties van werkgever en/of werknemer zijn daarbij niet van belang. Het gaat om de algemene kenmerken van de regeling. Het hof heeft in deze zaak geoordeeld dat de uitkeringen geen verband houden met de (pensioengerechtigde) leeftijd van de werknemer en dat de “oude” kantonrechtersformule in overeenstemming is met arbeidsrechtelijk aanvaarde beginselen voor het bepalen van een vertrekvergoeding als overbrugging naar een volgende baan. Dat het sociaal plan de werknemers geen onverkorte aanspraak op uitstroom via de vrijwilligers – of plaatsmakersregeling biedt, maar deze aan toestemming van de werkgever bindt, is hier ook van belang. De Belastingdienst viel met name over het gegeven dat achteraf is gebleken dat significant meer oudere werknemers van de regelingen gebruik hebben gemaakt dan jongere werknemers. Althans deze verdeling wijkt af van de uitkomst die het afspiegelingsbeginsel in deze reorganisatie gehad zou hebben. Het hof is evenwel van oordeel dat aan deze bekendheid met de feitelijke uitstroom van werknemers hier geen doorslaggevende betekenis toekomt. De Belastingdienst kon zich met dit oordeel van het hof niet verenigen, en heeft cassatieberoep ingesteld.

Inmiddels heeft de procureur generaal bij de Hoge Raad in dit cassatieberoep zijn conclusie genomen. Deze conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatsecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard. De procureur generaal overweegt dat bij de berekening van de ontslagvergoeding geen onderscheid wordt gemaakt naar plaatsmaker of degene die vervangen wordt. Bij de berekening van de beëindigingsvergoeding wordt rekening gehouden met de kwetsbare positie van ouderen op de arbeidsmarkt en het beginsel van trouwe dienst. Het doel van de verstrekte uitkeringen aan plaatsmakers is om werknemers die willen blijven werken niet te hoeven ontslaan omdat andere werknemers onder dezelfde voorwaarden wel ontslag willen nemen. Daarmee is de vormgeving van de vrijwilligers– en plaatsmakersregeling en de verstrekte uitkeringen niet bedoeld om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot pensioendatum. Ook uit de feitelijke uitwerking van deze regelingen blijkt niet dat zij gericht zijn op het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voorzien in uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of AOW. In 2013 heeft de Staatssecretaris bepaald dat de beoordeling of in een sociaal plan met een vrijwilligers- of plaatsmakersregeling de vermindering van het personeelsbestand aan de hand van een objectief ontslagcriterium is gedaan, achteraf mag plaatsvinden. De Staatssecretaris heeft hierbij aangegeven een doelmatigheidsmarge van 10% toe te staan. Indien bij de beoordeling achteraf blijkt dat deze marge is overschreden, dan is voor de gehele groep oudere werknemers sprake van een Rvu, aldus het besluit uit 2013. De procureur generaal is echter van oordeel dat dit besluit van de Staatssecretaris niet tot uitwerking kan hebben dat ten aanzien van meer personen belasting wordt gegeven dan volgt uit het wettelijk systeem. De BV heeft terecht aangevoerd dat het besluit van de staatssecretaris uit 2013 niet in die zin (met terugwerkende kracht) van toepassing kan zijn op het sociaal plan.

Indien de Hoge Raad deze conclusie van de procureur generaal volgt, vangt de Belastingdienst dus opnieuw bot.

Parket bij de Hoge Raad 14 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:PHR:2017:1416

Door Bas de Moor

"

Actualiteiten overzicht