Nieuwsbrief voor overheden

Omwonenden verzetten zich tegen een bouwplan omdat zij vrezen dat een te realiseren bedrijfsgebouw negatieve invloed heeft op hun woon- en leefklimaat. Zij stellen dat er niet in voldoende parkeerplaatsen is voorzien en dat het plan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De Afdeling heeft overwogen dat het bepaalde over parkeren in de Bouwverordening niet strekt tot de bescherming van de belangen van omwonenden omdat uitgesloten is dat zij parkeeroverlast zullen ondervinden. Artikel 8:69a van de Awb staat dus in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van deze hoger beroepsgrond. Omdat de omwonenden wel zicht hebben op het gebouw, geldt dit niet voor de hoger beroepsgrond ten aanzien van welstand.

 

Artikel 8:69a van de Awb luidt:

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Het komt met regelmaat voor dat appellanten zich beroepen op regels waarvan men zich kan afvragen of die zich strekken tot de bescherming van hun belangen. De uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018 laat nog eens zien dat per geval bekeken moet worden of het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb aan een inhoudelijke beoordeling van een (hoger) beroepsgrond in de weg staat.

In dit geval vreesden omwonenden van een te realiseren bedrijfsgebouw voor parkeeroverlast en vonden zij het gebouw in strijd met de redelijke eisen van welstand. Ten aanzien van het parkeren heeft de Afdeling overwogen dat parkeeroverlast voor de omwonenden uitgesloten is. De inritten van het perceel zijn niet gelegen aan de zijde waar appellanten wonen en de afstand tussen de percelen over de weg bedraagt 1.6 km omdat er een waterplas tussen de percelen ligt. Ook is het perceel afgesloten door hekken en een sloot en ligt parkeren in de onverharde berm van een nabijgelegen landweg niet voor de hand. Artikel 2.5.30, lid 1 van de Bouwverordening, dat de parkeerbehoefte regelt, strekt in dit geval dus niet tot de bescherming van de belangen van omwonenden.

Omdat de omwonenden zicht hebben op het bedrijfsgebouw bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de redelijke eisen van welstand niet strekken tot de bescherming van hun belangen. Dat kan de omwonenden in dit geval niet helpen. De door hen ingeschakelde deskundige heeft het bouwplan beoordeeld aan de hand van de eisen van het Beeldkwaliteitsplan. Dat plan is in de gemeentelijke welstandsnota niet als toetsingskader opgenomen, zodat hieraan volgens de Afdeling niet de waarde gehecht kan worden die de omwonenden er graag aan gehecht zien.


ABRvS 16 mei 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2018:1628

Door Ad Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht