Nieuwsbrief voor overheden
Artikel 8:69a Awb bepaalt:
“De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.”
Eerder oordeelde de Afdeling dat individuele belangen van personen die in de onmiddellijke nabijheid van een natuurbeschermingsgebied wonen zo zeer verweven kunnen zijn met het algemeen belang dat de Natuurbeschermingswet beoogt te beschermen, dat het relativiteitsvereiste hen niet kan worden tegengeworpen. In deze uitspraak van 15 januari 2014 gaat de Afdeling in op de vraag hoe dat zit met een bedrijf en of een bedrijf wellicht toch een beroep kan doen op schending van een bepaling uit de Flora- en faunawet in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Relativiteit Natuurbeschermingswet
Flamco IMZ is een bedrijf dat zich in elk geval bezig houdt met een munitieopslag en vuurwerk. Zij komt op tegen het Zutphense bestemmingsplan Noorderhaven. Dat plan voorziet onder meer in de ontwikkeling van woningen, die aan Flamco’s uitbreidingsplannen in de weg zouden staan. Flamco doet een beroep op onder meer schending van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998), omdat de raad ten onrechte zou hebben gemeend dat de ‘passende beoordeling’ die dit artikel voorschrijft niet nodig zou zijn, en op schending van de Flora- en faunawet (Ffw), omdat een ontheffing voor het verstoren en vernielen van verblijfplaatsen van ter plaatse gevestigde vleermuizen zou ontbreken.
Aan vernietiging van het bestemmingsplan op deze gronden staat, zo oordeelt de Afdeling, echter het relativiteitsvereiste (van inmiddels art. 8:69a Awb) in de weg, die zo niet toekomt aan de vraag of de Nbw- en Ffw-normen daadwerkelijk zijn geschonden. Zoals hierboven al aangegeven oordeelde de Afdeling al eerder dat hoewel de Nbw 1998 het algemeen belang van bescherming van natuur en landschap beoogt te beschermen, het individueel belang van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, daarmee ‘zo verweven’ kunnen zijn dat het relativiteitsvereiste er niet aan in de weg staat dat zij zich op schending van de Nbw 1998 beroepen. Maar voor Flamco geldt dit niet, zo oordeelt de Afdeling, nu zij opkomt voor ‘bedrijfseconomische belangen’ (r.o. 5.2).
Relativiteit Flora- en Faunawet
Iets vergelijkbaars geldt voor de Ffw. De betreffende normen uit die wet strekken tot bescherming van allerlei vleermuizen, vogels en plantensoorten ‘en hun nesten en vaste rust- of verblijfsplaatsen’. Daarmee behoeft, zoals de Afdeling ook al eerder oordeelde, ‘niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden’. Maar dat biedt Flamco, opkomend voor haar ‘bedrijfsbelang dat is gelegen in het kunnen voortzetten en uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten’, opnieuw geen soelaas (r.o. 6.3).
Er zijn dus grenzen aan de ‘verwevenheid’ van individuele belangen met algemene belangen en die trekt de Afdeling blijkbaar, ten aanzien althans van de Nbw 1998 en de Ffw, in elk geval bij bedrijfseconomische belangen. Flamco was daar kennelijk al bang voor, want zij had bij voorbaat beargumenteerd waarom het relativiteitsvereiste volgens haar niet aan vernietiging van het bestemmingsplan in de weg zou hoeven te staan. De schending van de Nbw 1998 en de Ffw leidde er volgens haar toe dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is en deze open norm strekt volgens Flamco ter bescherming van haar belang (r.o. 5).
Ten aanzien van de Nbw 1998 gaat de Afdeling niet op dit betoog in, omdat zij de betreffende beroepsgrond van Flamco zo leest dat deze zich rechtstreeks beriep op strijd met de Nbw 1998, zonder tussenkomst van de open norm van uitvoerbaarheid. Maar ten aanzien van de Ffw doet de Afdeling dit wel (r.o. 6.3). De Afdeling overweegt:
“Een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste, als vervat in artikel 8:69a van de Awb, brengt met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Flora- en faunawet omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten betoge dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is.”
ABRvS 15 januari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2014:75
NB: Dit artikel is ontleend aan het artikel ‘Meer relativiteit in het bestuursrecht’ (webblog publiekrechtenpolitiek)
"