Nieuwsbrief voor overheden
Met ingang van 1 juli 2013 is voor ambtenaren de procedure voor het vorderen van schadevergoeding gewijzigd. Voorheen werd de schade van een ambtenaar als gevolg van een onrechtmatig besluit of feitelijk handelen van zijn werkgever veelal afgewikkeld door middel van een verzoek om een zelfstandig schadebesluit. Tegen het besluit van het bevoegd gezag op een dergelijk verzoek kon de ambtenaar vervolgens bezwaar, beroep en hoger beroep instellen. Tegenwoordig staat voor de ambtenaar in zo’n geval een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank open. Een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zegt iets over de voorwaarden om zo’n verzoekschriftprocedure te kunnen starten.
Het wettelijke kader wordt gevormd door artikel 8:88 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens die bepaling is de bestuursrechter (exclusief) bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade veroorzaakt na 1 juli 2013 die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
- een onrechtmatig besluit;
- een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
- het niet tijdig nemen van een besluit;
- een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a Awb (bedoeld is een ambtenaar), zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
Volgens artikel 8:2 van de Awb wordt met een besluit gelijk gesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is. Een ambtenaar kan dus ook vergoeding van schade ten gevolge van feitelijk handelen vorderen, mits hij maar belanghebbende bij dat feitelijk handelen is. De eerder aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad maakt duidelijk dat de grens wanneer een ambtenaar belanghebbende bij feitelijk handelen is, tamelijk laag ligt. De redenering die de Centrale Raad gebruikt doet denken aan die van de Hoge Raad in het arrest Guldemond/Noordwijkerhout (HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407).
Wat deed zich voor?
Met een ambtenaar bij het ministerie van Defensie was een vertrekregeling getroffen. Als uitvloeisel van die regeling ontving hij een lijfrente in verband met een afgesloten koopsompolis. Op enig moment ontstond onduidelijkheid over de wel of niet verrekening van de lijfrente met het wachtgeld. Betrokkene zegde de koopsompolis op, hetgeen achteraf onnodig bleek te zijn. Hij baseerde zich hierbij op een e-mailbericht van een medewerker van de instelling die het wachtgeld uitvoerde aan een (voormalige) collega van betrokkene. Dit e-mailbericht ging over de verrekening van ontvangen ontslagvergoedingen. Over dit e-mailbericht heeft betrokkene een telefoongesprek gevoerd met iemand van de uitvoeringsinstelling. De Centrale Raad is van oordeel dat het e-mailbericht niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb of als daarmee gelijk te stellen handeling waarbij de ambtenaar belanghebbende is. Het e-mailbericht was immers niet aan betrokkene, maar aan zijn voormalige collega gericht. Bovendien was er op dat moment geen sprake van een door het bevoegd gezag ten aanzien van betrokkene te nemen besluit, in samenhang waarmee en in voorbereiding waarvan het e-mailbericht is verstuurd. Het telefoongesprek dat betrokkene vervolgens zelf met de uitvoeringsinstantie voerde, leverde echter wel een met een besluit gelijk te stellen handeling op. Betrokkene was ook belanghebbende bij die handeling. De omstandigheid dat betrokkene zijn stellingen met betrekking tot de telefoongesprekken niet heeft onderbouwd en het niet duidelijk is wat gedurende het gestelde telefoongesprek over en weer is gecommuniceerd, brengt naar het oordeel van de Centrale Raad niet met zich mee dat de rechtbank niet bevoegd was om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Betrokkene heeft immers een – gesteld onrechtmatige – handeling ter voorbereiding van het later herroepen besluit tot verrekening aangewezen. Betrokkene heeft gesteld dat hij ten gevolge hiervan schade heeft geleden. Daarmee is naar het oordeel van de Centrale Raad de bevoegdheid van de bestuursrechter gegeven. De rechtbank heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard.
Deze ‘overwinning’ bij de Centrale Raad baat de bewuste ambtenaar overigens niet. In een volgende rechtsoverweging oordeelt de Centrale Raad immers dat ook ter zitting niet duidelijk is geworden wat in het gestelde telefoongesprek is besproken. Daarom is er onvoldoende grond voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding, aldus de Centrale Raad. De ambtenaar blijft dus met lege handen achter.
CRvB 24 november 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:4495
Door Bas de Moor
"