Nieuwsbrief voor overheden
Wat is er gebeurd?
Op 28 september 2020 was een werknemer van een aannemersbedrijf met een gehuurde autohoogwerker onderweg om defecte straatverlichting te repareren. Bij het afslaan richting de Graaf Floriskade in Delft reed hij met het voertuig een gracht in.
Verzekeraar Allianz vergoedde de schade en stelde vervolgens de gemeente Delft aansprakelijk. Volgens Allianz was sprake van een onrechtmatig gevaarzettende situatie waarvoor de gemeente als wegbeheerder verantwoordelijk was.
Het juridisch kader
Een wegbeheerder is op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor schade wanneer de weg een gebrek kent en het gevaar dat daardoor ontstaat zich ook verwezenlijkt.
Er is sprake van een gebrek wanneer een weg niet voldoet aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Daarbij zijn wettelijke veiligheidsnormen relevant, maar niet doorslaggevend. Ook ongeschreven zorgvuldigheidsnormen spelen een belangrijke rol.
Bij de beoordeling van gevaarzettende situaties grijpt de rechter terug op de bekende Kelderluik-criteria. Daarbij wordt onder meer gekeken naar:
i) in hoeverre is het waarschijnlijk dat een weggebruiker niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zal nemen;
ii) hoe groot is de kans dat daaruit ongevallen ontstaan;
iii) hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn; en
iv) in hoeverre is het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk voor de wegbeheerder.
Tegelijkertijd benadrukt de rechtbank dat niet ieder risico de overheid verplicht tot het treffen van maatregelen. Gemeenten beschikken immers over beleidsvrijheid en beperkte (financiële) middelen.
Waarom ging het mis?
De rechtbank constateert dat ten tijde van het ongeval sprake was van schemering, nevel en een nat wegdek. Juist onder die omstandigheden was volgens de rechtbank onvoldoende zichtbaar waar de rijbaan eindigde en waar de gracht begon.
Daarbij speelde een aantal omstandigheden een rol:
i) de trottoirband was verlaagd tot voorbij het begin van de gracht;
ii) rijbaan en trottoir waren uitgevoerd in dezelfde soort klinkers;
iii) kleur- en patroonverschillen waren bij nat weer beperkt zichtbaar;
iv) op de kop van de gracht ontbraken fysieke markeringen of waarschuwingsvoorzieningen, zoals een reling, stootrand, bankje of waarschuwingsbord.
Volgens de rechtbank moest de gemeente er rekening mee houden dat niet iedere weggebruiker onder alle omstandigheden volledig oplettend handelt. Zeker wanneer een vergissing kan leiden tot ernstige schade.
De rechtbank concludeert daarom dat de gemeente aanvullende maatregelen had moeten treffen. Die maatregelen waren relatief eenvoudig, niet bijzonder kostbaar en hadden het risico op een ongeval aanzienlijk kunnen verkleinen.
Conclusie
Deze uitspraak benadrukt dat de verantwoordelijkheid van een gemeente als wegbeheerder verder reikt dan het onderhouden van de openbare ruimte. Op de gemeente rust ook de plicht om de weg zodanig in te richten dat weggebruikers niet worden blootgesteld aan voorzienbare veiligheidsrisico's. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de situatie onder ideale omstandigheden, maar ook naar omstandigheden waarin zicht en waarneming worden beperkt, zoals schemering, regen of mist.
Rb. Den Haag 29 april 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBDHA:2026:10242.