Nieuwsbrief voor overheden

De meeste rechtspositieregelingen voor ambtenaren voorzien in de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een disciplinaire straf wegens plichtsverzuim voorwaardelijk op te leggen. Dat wil zeggen dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd indien de betrokken ambtenaar binnen een proeftijd niet in herhaling vervalt. De belangrijkste ambtelijke rechtspositieregelingen hebben het daarbij over ‘soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt of enig ander ernstig plichtsverzuim’ (artikel 81, derde lid ARAR; artikel 7.2, tweede lid SAW; artikel 16:1:2, derde lid CAR/UWO). Het gaat hierbij om een zogenaamde kan-bepaling. Bestuursorganen zijn dus niet verplicht om een ambtenaar die plichtsverzuim heeft gepleegd een verbeterkans te bieden. Zij zijn – binnen bepaalde kaders – ook vrij in de formulering van de betreffende voorwaarde, bijvoorbeeld voor wat betreft de lengte van de proeftijd.

Een recente uitspraak laat zien dat een bestuursorgaan zich hiermee behoorlijk in de vingers kan snijden. Het betrof een ambtenaar van de stichting Waternet die voorwaardelijk strafontslag opgelegd had gekregen voor het zich niet houden aan de regels voor het opnemen van verlof tijdens een periode van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Enkele maanden daarna reageerde betrokkene cynisch en sarcastisch op een opdracht van zijn leidinggevende om een actieplan op te stellen. Deze reactie stuurde hij mede aan het afdelingshoofd en de bedrijfsmaatschappelijk werker. Zijn leidinggevende voelde zich hierdoor gekwetst en interpreteerde de reactie als ondermijning van zijn positie. Aan de orde was vervolgens de vraag of het gedrag van betrokkene als ‘gelijk of gelijksoortig’ plichtsverzuim was aan te merken. Het bestuursorgaan voerde aan dat zowel het niet naleven van de regels voor verlof als de houding naar zijn leidinggevende als gezagsondermijnend werden beschouwd. De Centrale Raad vindt dat echter onvoldoende om van soortgelijk plichtsverzuim te kunnen spreken. De kwalificatie ‘gezagsondermijnend gedrag’ is te algemeen en kan aan veel, op zichzelf beschouwd uiteenlopende, vormen van plichtsverzuim worden toegeschreven. Dat geldt ook voor de omschrijving ‘het negeren van een beslissing van een leidinggevende’. Aan de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag was hier dus niet voldaan. Het bestuursorgaan had kennelijk geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ook ‘ander ernstig plichtsverzuim’ als voorwaarde op te nemen. Als dat was gebeurd was de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag in dit geval mogelijk wèl in stand gebleven. Als subsidiaire grond voor het ontslag was in het primaire besluit overigens onverenigbaarheid van karakters toegevoegd. Deze subsidiaire ontslaggrond houdt stand, zodat de aanstelling van betrokkene niet herleeft. Zijn baan krijgt hij dus niet terug. Voor zijn recht op een werkloosheidsuitkering is deze uitkomst echter wel relevant. In zoverre heeft de procedure betrokkene dus wel degelijk iets opgeleverd, en kost de omissie van het bestuursorgaan om de voorwaarden bij het strafontslag ruim te formuleren het betreffende overheidslichaam een aanzienlijke som geld.

CRvB 13 juli 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2017:2399

Door Bas de Moor

"

Actualiteiten overzicht