Nieuwsbrief voor overheden
Tegen de bezitter te kwader trouw, die door verjaring ex artikel 3:105 Burgerlijk Wetboek eigenaar is geworden, staat een vordering uit onrechtmatige daad open. De bezitter/eigenaar kan worden veroordeeld om bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde in eigendom (terug) over te dragen.
Verweerders tot cassatie hebben een strook grond van de gemeente Heusden met een afsluitbaar hoog hek omheind. De strook is enkel via een afsluitbaar poortje toegankelijk. Sinds 1980 hebben verweerders de strook onderhouden, er twee boshutten op gebouwd, een houtopslag gerealiseerd en een jeu-de-boulesbaan aangelegd. In 2003 zegt de gemeente de vermeende gebruiksovereenkomst met verweerders op. Verweerders stellen dat zij door verjaring eigenaar van de strook zijn geworden. Het hof geeft verweerders gelijk. De gemeente gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat verweerders bezitters en door verjaring eigenaren zijn geworden. In het arrest bevestigt de Hoge Raad dat de voorwaarden ‘ondubbelzinnigheid’ en ‘kenbaarheid’ en de invulling daarvan als criteria zijn blijven gelden voor de beantwoording van de vraag of iemand bezit van een zaak heeft. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het voor de ondubbelzinnigheid van ‘bezit’ niet uitmaakt of de oorspronkelijke eigenaar zonder of met vergaand onderzoek achter de inbezitneming kan komen. Het is dus niet vereist dat de oorspronkelijke eigenaar daadwerkelijk heeft kennis genomen van de bezitsdaden van een niet-rechthebbende, waardoor zijn bezit is teniet gegaan. Voldoende is dat een en ander naar buiten toe en dus ook voor ‘de eigenaar’ kenbaar was. De Hoge Raad brengt in dit kader nog aan de orde dat het voor oorspronkelijke eigenaren van met name moeilijk begaanbare of moeilijk toegankelijke percelen bezwarend kan zijn deze periodiek op bezitsinbreuken te controleren, maar dat die omstandigheid geen veranderingen brengt in de wettelijke vereisten voor bezit. Eerst indien moeilijke begaanbaarheid of moeilijke toegankelijkheid aan de kenbaarheid van bezitsdaden in de weg staat, is van bezit van een inbreukmaker geen sprake.
Ook bevestigt de Hoge Raad dat het voor het bezit in beginsel niet uitmaakt of ook een huurder of een andere gebruiksgerechtigde de bezitsdaden van de verjaringsverkrijger had kunnen verrichten. Daarbij is opgemerkt dat de oorspronkelijke eigenaar moet aantonen dat hij op objectieve gronden, zoals een overeenkomst, heeft kunnen aannemen dat de verjaringsverkrijger daadwerkelijk alleen maar gebruiksgerechtigde is geweest.
In de overweging ten overvloede in dit arrest staat de mogelijkheid voor het slachtoffer van landjepik; een vordering uit onrechtmatige daad. De Hoge Raad overweegt dat de keuze van de wetgever onverlet laat dat de bezitter te kwader trouw/eigenaar bloot kan staan aan de vordering uit onrechtmatige daad van de oorspronkelijke eigenaar die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van eigendomsverkrijging. Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig. Dat brengt mee dat de oorspronkelijke eigenaar, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat hem door de eigenaar de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt. In dat geval ligt het voor de hand dat de rechter, indien de gemeente dat vordert en de verweerders nog steeds eigenaren zijn, hen veroordeelt bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de oorspronkelijke eigenaar in eigendom over te dragen. In een dergelijke procedure kunnen de eigenaren de oorspronkelijke eigenaar in de regel niet tegenwerpen dat zij heeft nagelaten regelmatig onderzoek te doen naar eventuele inbezitnemingen van haar zaak door onbevoegden.
Deze vordering is onderworpen aan verjaring op de voet van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Voor zover de schade waarvan de benadeelde vergoeding wenst, bestaat in het verlies van zijn eigendom, neemt de vijfjarige verjaringstermijn ingevolge de bepalingen aanvang op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en de daarvoor aansprakelijke persoon) en is de verjaring in elk geval voltooid 20 jaar na de voltooiing van de verjaring van artikel 3:314 lid 2 BW, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade – het verlies van de eigendom – is veroorzaakt, alles onverminderd eventuele stuiting van die verjaring. Die verjaringstermijn neemt een aanvang vanaf het moment dat de eigenaar zich op verjaring beroept.
Dit arrest opent de mogelijkheid voor slachtoffers van landjepik een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen en bij wijze van schadevergoeding bijvoorbeeld de grond terug te vorderen.
HR 24 februari 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2017:309
Door Lianne Broekhuysen
"