Nieuwsbrief voor overheden

Het is in veel gemeenten vaste praktijk: de gemeenteraad stelt vast tot welke resultaten en/of effecten de inzet van zorgverleners moeten leiden. Vervolgens wordt door het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorg toegekend in natura. Zo kan het college hulp in de huishouding toekennen voor een ‘schoon en leefbaar huis’. Dat laatste betreft het door de raad vastgestelde eindresultaat. Het is aan de zorgverlener om de wijze waarop dit resultaat wordt bereikt in te vullen.

De rechtbank Amsterdam acht deze werkwijze, althans het door het college toekennen van een te bereiken resultaat zoals dat in dit geval door het college van Amsterdam gebeurde, in strijd met de Wmo. Een van de kerntaken van het bestuursorgaan op grond van deze wet is namelijk het vaststellen van de rechten en plichten van de cliënt. De rechtbank overweegt dat de inhoud van het ‘recht’ op een ‘schoon en leefbaar huis’ daarom in individuele gevallen door het bestuursorgaan vastgesteld dient te worden.

Het bepaalde in artikel 2.6.3 van de Wmo, dat het college de vaststelling van rechten en plichten kan mandateren aan een aanbieder, kan daar volgens de rechtbank niet aan af doen. Deze bepaling doelt volgens de rechtbank blijkens de wetsgeschiedenis op professionals zoals de huisarts en de wijkverpleegkundige, die veel kennis over de cliënt hebben. Bovendien geldt in dit geval dat niet is gebleken dat het college toepassing heeft willen geven aan deze bepaling.

De rechtbank overweegt in deze zaak dat een cliënte, die op grond van een uitgebracht advies recht stelt te hebben op vier uur hulp in de huishouding per week, belang heeft bij het vaststellen van haar rechten en plichten. Het college heeft het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk verklaard en zal een nieuw besluit moeten nemen waarin de rechten en plichten van cliënte worden beschreven en niet enkel het (onduidelijke) resultaat.

Een opmerkelijke uitspraak, die mijns inziens nogal ver gaat. Met name de overweging van de rechtbank dat het college de vaststelling van rechten en plichten niet zou kunnen mandateren aan een zorgverlener, anders dan een huisarts of een wijkverpleegkundige, lijkt mij onhoudbaar. Ook een zorgverlener als deze, die huishoudelijke hulp aanbiedt, zal beter kunnen beoordelen welke specifieke hulp (maatwerk) een cliënt nodig heeft. De letterlijke tekst uit het amendement waar de rechtbank in de uitspraak op wijst sluit dit mijns inziens ook niet uit. De huisarts en de wijkverpleegkundige worden slechts als voorbeelden genoemd van professionals die zijn betrokken bij de uitvoering van de Wmo.

 

Wat op grond van deze uitspraak wel duidelijk wordt, en waar veel gemeenten ook mee worstelen, is dat het van belang is dat eindresultaten voldoende concreet worden bepaald. Wat onder schoon en leefbaar moet worden verstaan, blijkt in dit geval niet voldoende duidelijk uit de tussen de gemeente en de zorgverlener gemaakte afspraken. Dat zou wel het geval moeten zijn.

Rb Amsterdam 5 april 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2016:1920

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht