Nieuwsbrief voor overheden

De rechtbank Noord-Nederland is onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2017 van mening dat tariefdifferentiatie bij de toekenning van een pgb op grond van de Wmo 2015 en/of de Jeugdwet dient te zijn vastgelegd in de Verordening. Voor zover dit niet het geval is, kan de grondslag ook rechtstreeks in de Wmo 2015 of de Jeugdwet worden gevonden. Dit sluit echter niet uit dat onderzocht moet worden of het uiteindelijk toegepaste tarief toereikend is om de benodigde zorg op individuele basis te kunnen bekostigen.

Op 28 maart 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland twee uitvoerige uitspraken over aanspraken op grond van de Jeugdwet en Wmo 2015 gewezen. Naar het hier laat aanzien betrof het een Wmo-aanvraag voor een inmiddels meerderjarig kind met psychische en gedragsstoornissen alsmede een Jeugdwet-aanvraag voor de minderjarige broer met ADHD, PDD-NOS en gedragsproblemen. Voor beide kinderen werd verzocht om hulpverlening door hun moeder door middel van pgb alsmede aanvullende hulpverlening door middel van zorg in natura. De verzochte hulpverlening levert in het licht van de recente uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (ECLI:NL:CRVB:2016:1402, ECLI:NL:CRVB:2017:1477 en ECLI:NL:CRVB:2017:1803) enkele duidelijke overwegingen op, waarmee de gemeente Weststellingwerf aan de slag zal moeten.  

De rechtbank stelt ten aanzien van beide kinderen vast dat de gemeente de aanvragen heeft beoordeeld op basis van rapporten van SCIO. De rechtbank oordeelt dat de gemeente van deze rapporten mocht uitgaan bij de vaststelling van de behoeften en voorkeuren van de kinderen en dat het onderzoek zorgvuldig en volledig is. De rapporten dienden dan ook te worden aangemerkt als een rapport van een medisch deskundige waarin een deskundigenoordeel is neergelegd. Tevens komt de rechtbank tot het oordeel dat tegenover het oordeel van SCIO over het aantal benodigde uren aan zorg geen medische gegevens zijn ingebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan het oordeel van de medisch adviseur.

Ten aanzien van de aanvragen op grond van de Jeugdwet wordt wel overwogen dat de gemeente niet, althans onvoldoende, heeft onderzocht in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders toereikend zijn. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de gemeente zich ook moet uitlaten over de draagkracht van de ouders en de door het kind gestelde overbelasting van zijn moeder.

Vervolgens komt in beide uitspraken aan de orde dat de kinderen hebben aangevoerd dat de tariefdifferentiatie in de Verordening maatschappelijke ondersteuning respectievelijk Verordening Hart voor de Jeugd had moeten zijn opgenomen en dat delegatie aan het college niet is toegestaan. De kinderen zijn namelijk van mening dat een vergoeding van 25% van het gemiddelde tarief voor vergelijkbare zorg in natura, overeenkomend met een uurtarief van € 10,20, niet passend is voor de zorg die hun moeder verleent. Dit mede omdat de moeder over passende diploma’s en certificaten zou beschikken.

Ten aanzien van de Wmo-aanvraag overweegt de rechtbank als volgt:

“In de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 (ECLILNL:2017:1803) is uitgemaakt dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de Verordening dienen te worden vastgelegd. De in dit bereid aan de orde zijnde tariefdifferentiatie dient hiertoe te worden gerekend. Hieruit volgt dat nadere regels hierover en over de wijze waarop het pgb moet worden vastgesteld door de raad in een Verordening hadden moeten worden vastgelegd. Dat is in dit geval niet gebeurd, nu verweerder deze regels in het Financieel Besluit heeft vastgelegd, terwijl artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, daarvoor geen grondslag biedt. (…) Dit betekent echter niet dat het bestreden besluit 1 ook inhoudelijk onjuist is. Hoewel verweerder het bestreden besluit 1 ten onrechte op de (…) Verordening en het Financieel Besluit heeft gebaseerd, staat er naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet aan in de weg om het door verweerder toegepaste tarief rechtstreeks op de Wmo 2015 te baseren.”

Ten aanzien van de Jeugdwet-aanvraag overweegt de rechtbank als volgt:

“Uit artikel 2.9 van de Jeugdwet volgt dat de gemeenteraad in de Verordening dient te bepalen onder welke voorwaarden uit het pgb diensten ingekocht kunnen worden bij personen die tot het sociale netwerk behoren en op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Dit betekent dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de Verordening moet zijn vastgelegd. De rechtbank wijst daartoe naar de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803) en acht wat daar in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in rechtsoverweging 4.5 is overwogen, van gelijke toepassing op de Jeugdwet. De in dit geding aan de orde zijnde tariefdifferentiatie dient hiertoe te worden gerekend. Dit betekent dat in artikel 12, tweede lid, van de Verordening ten onrechte is bepaald dat verweerder, zijnde het college van burgemeester en wethouders, nadere regels kan stellen over de hoogte van het pgb. Verweerder is daartoe niet bevoegd nu artikel 2.9 van de Jeugdwet daarvoor geen juridische grondslag biedt. (…) Dit betekent echter niet dat het bestreden besluit 1 ook inhoudelijk onjuist is. Hoewel verweerder het bestreden besluit 1 voor wat betreft de tariefdifferentiatie ten onrechte op de Verordening en de Beleidsregels heeft gebaseerd, staat er naar het oordeel van de rechtbank niets aan de weg om het door verweerder toegepaste tarief rechtstreeks op de Jeugdwet te baseren.”

Dat de gemeente Weststellingwerf inmiddels zowel de Verordening maatschappelijke ondersteuning als de Verordening Hart voor de Jeugd had geactualiseerd en dat deze nieuwe verordeningen per 1 januari 2018 in werking waren getreden, werd door de rechtbank terecht gepasseerd.

De rechtbank oordeelt vervolgens zowel voor de Wmo- als de Jeugdwet-aanvraag dat niet is gebleken dat de gemeente heeft onderzocht of het door haar gehanteerde tarief toereikend is om de begeleiding op individuele basis te kunnen bekostigen. Ofwel, onduidelijk is of de kinderen met het tarief van € 10,20 per uur in staat zijn om de benodigde zorg bij hun moeder in te kopen en zij die zorg dan ook op adequate wijze kan leveren. Hierin moet de gemeente betrekken dat de moeder over relevante werkervaring en diploma’s beschikt en dat er sprake is van een complexe gezinssituatie.

Ten aanzien van de door de gemeente verleende zorg in natura voor beide kinderen wordt tot slot overwogen dat de kinderen geen aanspraak kunnen maken op een pgb voor die zorg. De kinderen wensen dit omdat zij met een pgb zouden kunnen schuiven tussen de verschillende zorgverleners, maar die omstandigheid leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de door de gemeente geleverde voorziening niet passend zijn als bedoeld in de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

Omdat de rechtbank zich niet in staat acht om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, wordt de gemeente ten aanzien van de verschillende besluiten over het pgb-budget voor het inkopen van zorg bij de moeder van de kinderen opgedragen om nader onderzoek te doen en op basis daarvan nieuwe besluiten te nemen.

Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092 en  ECLI:NL:RBNNE:2018:1093

Door Anouk Broekman-de Feijter

"

Actualiteiten overzicht