Nieuwsbrief voor overheden

Feiten en procesverloop
Op grond van artikel 80, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) moeten mestmonsters uiterlijk tien werkdagen na bemonstering worden toegezonden aan een erkend laboratorium. De intermediair, een Belgische onderneming actief als mestvervoerender, had in januari en februari 2023 96 mestmonsters niet tijdig aangeleverd bij het laboratorium. De intermediair maakte gebruik van een ophaalservice, waarbij het moment van overhandiging aan de ophaalservice als verzenddatum geldt en de ontvangst door het laboratorium als ontvangstdatum.

De minister legde een boete op van € 4.800,-. Omdat het een tweede overtreding betrof, werd de boete met 50% gematigd. Bij de beslissing op bezwaar verlaagde de minister de boete naar € 2.000,-, doordat hij alsnog een marge van vijf reguliere dagen toepaste bovenop de wettelijke verzendtermijn. Daarmee werden 56 van de 96 overtredingen als tijdig aangemerkt.

Het oordeel van het CBb
De intermediair betoogde in hoger beroep dat de toegepaste marge van vijf reguliere dagen had moeten worden uitgebreid naar vijf werkdagen. In dat geval waren nog eens tien overtredingen komen te vervallen.

Het CBb verwerpt dit betoog. De marge die de minister toepast, geldt als coulance voor de tijd die kan verstrijken tussen het met de post verzenden van een mestmonster op de tiende dag en de ontvangst door het laboratorium. De marge vormt daarmee een afwijking ten gunste van de overtreder ten opzichte van de wettelijke termijn, en is dus aan te merken als tegenwettelijk (begunstigend) beleid. Het CBb stelt vast dat voor toetsing van dergelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel geen ruimte bestaat en verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:700, r.o. 4.9.3.1). Bovendien heeft de intermediair ook geen concrete omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de toepassing van dit beleid in haar specifieke geval onevenredig zou zijn.

Op zichzelf beschouwt het CBb het hoger beroep dus als niet-geslaagd op dit punt. Toch slaagt het hoger beroep in zijn geheel, omdat de minister in zijn reactie op het hogerberoepschrift erkende dat de boete met 90% had moeten worden gematigd en niet, zoals in bezwaar was aangenomen, met slechts 50%. Dat had erin geresulteerd dat de boete bij het bestreden besluit had moeten worden vastgesteld op € 400,-. Het CBb vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag en stelt de boete zelf vast op € 400,-.

De uitspraak is met name interessant vanwege de toepassing van de regel dat tegenwettelijk begunstigend beleid niet aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst. Dit is een consequent standpunt: wie als overtreder profiteert van een gedoogmarge die de wet niet vereist, kan die marge niet zelf als basis gebruiken om verdergaande matiging te claimen met een beroep op evenredigheid. De uitspraak illustreert daarmee dat het bestaan van coulancebeleid een tweesnijdend zwaard is: het kan de handhavingslast verlichten, maar plaatst de overtreder tegelijkertijd buiten het bereik van het evenredigheidsbeginsel voor wat betreft de reikwijdte van die coulance. Voor de praktijk betekent dit dat overtreders die willen betogen dat tegenwettelijk begunstigend beleid onvoldoende ver gaat, concrete omstandigheden zullen moeten aanvoeren waarom de toepassing van dat beleid in hun geval onevenredig uitpakt en niet kunnen volstaan met de stelling dat de marge ruimer had moeten worden vastgesteld.

CBb 3 maart 2026, www.rechtspraak.nlECLI:NL:CBB:2026:71.

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team