Nieuwsbrief voor overheden
De zaak draait om een terrasvergunning die vergunninghouder op 24 januari 2024 aanvroeg bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland. Het college besliste niet binnen de termijn van acht weken (uiterlijk 21 maart 2024) en wees de aanvraag pas op 18 april 2024 af. In bezwaar erkende het college dat het op dat moment niet meer bevoegd was om te beslissen: de vergunning was al van rechtswege verleend op grond van artikel 4:20b Awb. Op 31 oktober 2024 maakte het college de van rechtswege verleende vergunning alsnog bekend.
Omgevingswet als blokkade?
Omwonenden en een naburige horecaexploitant bestrijden in beroep niet alleen de inhoud van de vergunning, maar ook de totstandkoming ervan. Zij betogen dat door de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) geen vergunning van rechtswege meer kan ontstaan op grond van de APV. Hun redenering: de terrasvergunning van artikel 2:10 APV kwalificeert als een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid, onder a, Ow via de schakelbepaling van artikel 22.8 Ow. Voor omgevingsvergunningen kent de Ow geen positieve fictieve beschikking meer. De regeling uit artikel 3.9, derde lid, Wabo is immers vervallen. Daarmee zou artikel 2:10, achtste lid, APV in strijd zijn met de Ow en onverbindend zijn.
De rechtbank verwerpt dit betoog. Artikel 22.8 Ow is alleen van toepassing als het gaat om gevallen waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, Ow alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, dat wil zeggen: activiteiten die de fysieke leefomgeving blijvend en tastbaar wijzigen (artikel 2.1, eerste lid, Omgevingsbesluit). De nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet noemt als voorbeelden bouwen, slopen en kappen. Het plaatsen van terrasmeubilair valt daar juist uitdrukkelijk buiten: het is een gebruik van de fysieke leefomgeving dat die leefomgeving niet wijzigt. Artikel 2:10 APV valt daarmee buiten het bereik van de Ow en de schakelbepaling van artikel 22.8 Ow is niet van toepassing. Het gevolg: de verwijzing in artikel 2:10, achtste lid, APV naar afdeling 4.1.3.3 Awb is geldig en de lex silencio positivo werkt gewoon.
Inhoudelijk: geen weigeringsgronden
Ten behoeve van de effectieve rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank vervolgens ook de inhoudelijke beroepsgronden. Die slagen niet. Verkeersveiligheid is geen probleem: een verkeerskundig rapport laat zien dat de locatie gedomineerd wordt door langzaam verkeer, de meerderheid rijdt ruim onder de 30 km/u en de buslijn, die als risico werd aangemerkt, wordt per 2026 omgeleid. Van onaanvaardbare geluidsoverlast is evenmin sprake, gezien de ligging in de toeristische kern en de beperkte exploitatietijd (juli en augustus: tot 22.00 uur). Het betoog van de naburige horecaexploitant dat hij omzetschade lijdt doordat klanten de terrassen verwarren, stuit af op het gegeven dat dit geen weigeringsgrond is.
De uitspraak biedt duidelijkheid over de reikwijdte van artikel 22.8 Ow: niet elke APV-vergunning is na 1 januari 2024 een omgevingsvergunning geworden. De sleutel ligt in de vraag of de activiteit de fysieke leefomgeving blijvend wijzigt. Is dat niet het geval - zoals bij een seizoenterras - dan blijft de APV-bepaling zelfstandig gelden en kan de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3 Awb gewoon worden ingeschakeld. Gemeenten die die koppeling in hun APV nog niet hebben aangebracht, doen er goed aan dit alsnog te doen. En voor bestuursorganen is de les opnieuw helder: wie te laat beslist, verliest de bevoegdheid om alsnog te weigeren.
Rb. Zeeland-West-Brabant 20 februari 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBZWB:2026:1042.