Nieuwsbrief voor overheden

Impliceert een onderlinge afspraak dat partijen zullen procederen bij de Raad van Arbitrage dat de mogelijkheid van hoger beroep is uitgesloten? De Raad van Arbitrage heeft op 3 mei 2017 geoordeeld dat dat niet zo is.

 

Nadat partijen (niet schriftelijk vastgelegd) een aannemingsovereenkomst hebben gesloten en de werkzaamheden zijn uitgevoerd, ontstaat een geschil over de eindafrekening. Door tussenkomst van de advocaten van beide partijen, wordt overeengekomen dat het geschil zal worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage. Nadat de memorie van eis is ingediend, bevestigt de Raad van Arbitrage dat de statuten, het arbitragereglement en de zogenaamde ‘notities ten behoeve van partijen’ zullen worden gevolgd.

Na het wijzen van het vonnis in eerste aanleg, stelt een van de partijen hoger beroep in. Daarop werpt de andere partij een incident op. Onder verwijzing naar artikel 1050 Rechtsvordering (oud) wordt gesteld dat partijen niet hebben voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep. Arbiters stellen vast dat partijen inderdaad geen hoger beroep zijn overeengekomen in de (schriftelijke) correspondentie (tussen de advocaten). De omstandigheden van dit geval en artikel 1036 Rv (oud) brengen de arbiters er echter toe dat partijen wel de toepasselijkheid van de statuten en het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage zijn overeengekomen. Omdat daarin in de mogelijkheid van hoger beroep is voorzien, wordt het incident afgewezen.

RvA 3 mei 2017, www.raadvanarbitage.info: geschilnummer: 72.041

Door Anouk Broekman-de Feijter

"

Actualiteiten overzicht