Nieuwsbrief voor overheden

Appellant betoogde dat de dwangsom niet was verbeurd, omdat de begunstigingstermijn was verlengd en ten tijde van het invorderingsbesluit nog liep. Hij wees daarbij op een e-mail van een jurist van de gemeente, die naar aanleiding van zijn verzoek om verlenging (de termijn zou tijdens de bezwaarprocedure verstrijken) had geantwoord dat het college bereid was in de beslissing op bezwaar een nieuwe begunstigingstermijn op te nemen en dat gedurende de bezwaarprocedure geen controles zouden plaatsvinden.

In de daadwerkelijke beslissing op bezwaar werd, ondanks deze toezegging, geen nieuwe begunstigingstermijn opgenomen. Uit het proces-verbaal van de zitting in beroep bleek bovendien dat dezelfde jurist desgevraagd aan de rechtbank bevestigde dat de begunstigingstermijn naar zijn beleving nog was opgeschort — een lezing die appellant ter zitting deelde. Niettemin controleerde het college en constateerde het dat de last niet werd uitgevoerd. Het college besloot over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom. 

De Afdeling oordeelt dat de e-mail niet kan gelden als een besluit van het college tot verlenging van de begunstigingstermijn, en evenmin als een aan het college toe te rekenen besluit van gelijke strekking. De begunstigingstermijn is daarmee formeel niet verlengd of opgeschort, zodat het college bevoegd was om tot invordering over te gaan.

Desondanks ziet de Afdeling in de geschetste gang van zaken — de toezegging, het niet-verwerken daarvan in de beslissing op bezwaar, de latere bevestiging ter zitting dat de termijn nog liep, en de daaropvolgende controle en invordering zonder nader bericht — een bijzondere omstandigheid die maakt dat het gebruikmaken van de invorderingsbevoegdheid in dit specifieke geval onevenredig is. Het invorderingsbesluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:4 van de Awb en wordt vernietigd.

ABRvS 2 september 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:5189. 

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team