Nieuwsbrief voor overheden

Het voeren van vooroverleg biedt een aspirant bouwer de mogelijkheid zijn bouwplan informeel voor te leggen, voordat een definitieve aanvraag wordt ingediend. Zeker indien een bouwplan in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan, zal de behoefte bestaan om de houding van het bevoegd gezag ten aanzien van het bouwplan vooraf te peilen. Vragen die zich in deze fase voordoen zijn a) wanneer er sprake is van een toezegging en b) of het bevoegd gezag nadien nog terug kan komen op een eerder uitgesproken bereidheid tot medewerking.

Beide vragen deden zich voor in het geschil waarover de Afdeling op 5 maart 2014 een uitspraak deed. Het college van burgemeester en wethouders had haar bereidheid getoond medewerking te verlenen aan een bouwplan en de daarvoor benodigde afwijking van het bestemmingsplan. In een brief had het college daarover bericht aan appellant, waarin ten aanzien van enkele nog op te helderen milieuaspecten die speelden een expliciet voorbehoud was gemaakt ten aanzien van de benodigde afwijking van het bestemmingplan.

De Afdeling overweegt eerst, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van 13 juni 2012 (zaaknr. 201101621/1/A4), dat aan het college niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om bij het volgen van een vrijstellingsprocedure terug te komen van zijn aanvankelijke bereidheid om, via een afwijking van het bestemmingsplan, medewerking te verlenen aan de realisering van een bouwplan. In dat geval geldt wel een verzwaarde motiveringsplicht, waarbij het college een belangenafweging zal moeten maken tussen enerzijds het gewekte vertrouwen bij de aanvrager en anderzijds de bij de weigering gediende belangen.

De vraag is vervolgens of er sprake is van een toezegging tot het verlenen van medewerking aan afwijking van het bestemmingsplan. Daarbij is volgens de Afdeling van belang dat het moet gaan om een situatie dat bij de aanvrager het vertrouwen is gewekt dat de omgevingsvergunning zonder meer (cursief MS) zal worden verleend. Onvoldoende is een in beginsel positieve houding over het voorgenomen project. De Afdeling overweegt: “De definitieve beslissing over de verlening van de omgevingsvergunning vindt pas plaats bij het besluit op de aanvraag, en die beslissing kan mede afhankelijk van alle in de verdere loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen – ook de mogelijke belangen van derden – anders uitvallen dan het bevoegd gezag in eerste instantie heeft ingeschat.”

De Afdeling is van oordeel dat het college niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zonder meer omgevingsvergunning voor het bouwplan zou worden verleend. Uit de eerder aangehaalde brief blijkt niet meer dan een positieve houding ten aanzien van het bouwplan. Het ontbreken van een expliciet voorbehoud ten aanzien van de planologische aspecten kan niet worden opgevat als een toezegging dat het college zonder meer een omgevingsvergunning zou verlenen.

ABRvS 5 maart 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2014:775

ABRvS 13 juni 2012, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2012:BW8143

Door mr. M.C. Sinke

"

Actualiteiten overzicht