Nieuwsbrief voor overheden
Afwijzing vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn en onrechtmatige besluitvorming.
Een ontwikkelaar dient een aanvraag in voor woningbouw. Het plan van de ontwikkelaar was in strijd met de vigerende bestemming. Dit plan 1a is behandeld in de vergadering van de welstandscommissie; daar kreeg de ontwikkelaar weerstand, zodat hij vervolgens plan 1b heeft ontwikkeld. Echter, omwonenden dienden zienswijzen in tegen plan 1b, zodat de ontwikkelaar in juli 2010 ook de aanvraag voor dit plan introk.
In september 2010 vond er tijdens een raadscommissievergadering een zogenoemd
‘Rondetafelgesprek’ plaats, waaruit bleek dat er binnen de raad geen draagvlak was voor het bouwplan. Een initiatiefvoorstel tot het nemen van een voorbereidingsbesluit om een bouwplan te blokkeren haalde echter niet de eindstreep.
In december 2010 werd een aanvraag ingediend voor plan 2. Pas op 9 september 2013 werd daaromtrent door het college van burgemeester en wethouders gunstig beslist. Deze laattijdige beslissing was echter onrechtmatig, omdat de gemeente meermalen heeft toegezegd dat zij snel een beslissing op de aanvraag zou nemen, welke toezeggingen niet zijn nagekomen. Dit was temeer onzorgvuldig, omdat de gemeente niet heeft betwist te hebben geweten dat de ontwikkelaar een groot financieel belang had bij een snelle besluitvorming.
De voor de ontwikkelaar gunstige besluiten van september 2013 en september 2014 werden echter door de bestuursrechter bij uitspraken van mei 2014 en januari 2015 vernietigd. In oktober 2015 werd een omgevingsvergunning voor plan 3 verleend; op verzoek van de gemeente werd vervolgens de aanvraag voor plan 2 ingetrokken.
Kan de ontwikkelaar nu de schade claimen die het gevolg was van de trage besluitvorming door de gemeente De Ronde Venen omtrent plan 2?
De rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat dit in principe mogelijk is, maar dan moet wel het causaal verband vaststaan. Het gaat er daarbij niet om of de gevraagde vergunning rechtmatig had kunnen worden verleend, maar welk besluit naar alle waarschijnlijkheid op de aanvraag zou zijn genomen als overeenkomstig de wet zou zijn beslist.
De rechtbank zoekt hiermee met zoveel woorden aansluiting bij een arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016 (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112), waarbij eenzelfde maatstaf is aangenomen in de situatie waarin een begunstigend bestuursbesluit laattijdig werd verleend en later onherroepelijk werd vernietigd. Uit dit arrest volgt dat het causaal verband met de gestelde schade in beginsel kan worden aangenomen, als het college na de vernietiging door de rechtbank de gevraagde vergunning alsnog zou hebben verleend en dat besluit ook onherroepelijk zou zijn geworden.
De rechtbank oordeelt echter dat vergunningverlening niet waarschijnlijk was. Immers, het college stond in beginsel positief tegenover de voorgestane ontwikkeling op het betreffende perceel, met dien verstande dat de ingediende plannen wel aanpassingen behoefden. Dat is relevant, want een en ander was destijds een bevoegdheid van het college; pas door de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op 1 oktober 2010 was een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig. De raad stond echter vanaf het begin negatief tegenover plan 2. Voor plan 3 was uiteindelijk vanwege het geringe aantal te bouwen woningen geen verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig.
De rechtbank oordeelt uiteindelijk dat de stelling dat de raad een verklaring van geen bedenkingen zou hebben verleend, indien meteen rechtmatig op de aanvraag zou zijn beslist, niet voldoende overtuigend is. De vergelijking van plan 2 met plan 3 maakt de rechtbank inzichtelijk waar de knelpunten zaten in plan 2, en wat nodig was om deze knelpunten op te lossen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de raad zijn standpunt dat plan 2 in strijd was met een goede ruimtelijke ordening aan de hand van deze standpunten deugdelijk had kunnen motiveren. De raad heeft een grote beleidsvrijheid. Daarbij kunnen ook aspecten als privacy en dichtheid van bebouwing worden meegewogen. Gelet op deze grote beoordelingsvrijheid is onvoldoende komen vast te staan dat de raad in redelijkheid niet tot het standpunt had kunnen komen dat plan 2 in strijd was met een goede ruimtelijke ordening.
De vordering wordt dus afgewezen, uiteindelijk op basis van een inschatting van de rechter omtrent de vraag wat de raad als het bevoegde bestuursorgaan zou hebben gedaan. Dat de raad of het college waarschijnlijk niet zou hebben ingestemd met plan 2, volgt wat mij betreft inderdaad uit de omstandigheid dat de indiening van plan 3 kennelijk noodzakelijk was om op het betreffende perceel tot ontwikkeling te kunnen komen.
Rb Midden-Nederland 21 december 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2016:7238
Door Rikkert Hoekstra
"