Nieuwsbrief voor overheden

De Hoge Raad deed onlangs uitspraak in een strafzaak over een op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) opgelegd gebiedsverbod door de burgemeester van Amsterdam. De verdachte had zich niet aan het gebiedsverbod gehouden dat inhield dat hij zich uit een door de burgemeester aangewezen gebied moest verwijderen en zich daar drie maanden niet meer mocht bevinden. Overtreding van een gebiedsverbod is strafbaar.

Door de verdachte werd aangevoerd dat het bevel niet rechtsgeldig was omdat er sprake moet zijn van meerdere antecedenten op het gebied van het verkopen of aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, terwijl uit de inhoud van het dossier blijkt dat slechts sprake was van één enkel antecedent. Het middel klaagt over de bewezenverklaring, waarin volgens de verdachte een verkeerde uitleg van het desbetreffende APV-artikel wordt gegeven.

In de toelichting op het APV-artikel is opgenomen:

“De burgemeester kan alleen van de bevoegdheid van artikel 2.9A gebruik maken ten aanzien van personen die tevens antecedenten hebben op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. Het kan daarbij gaan om veroordelingen, maar ook om politiemutaties. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze maatregel niet kan worden ingezet bij zogenaamde first-offenders. Het verblijfsverbod kan worden opgelegd indien wordt geconstateerd dat iemand zich schuldig maakt aan handel in drugs of daarop gelijkende waar, dan wel indien aannemelijk is dat iemand zich op straat ophoudt met het doel de hiervoor genoemde gedraging te plegen. Dit kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, het enkele vermoeden dat iemand drugs of daarop gelijkende waar verkoopt of te koop aanbiedt is derhalve niet voldoende.”

 

De Hoge Raad oordeelt net als het hof dat uit deze toelichting blijkt dat beoogd is om first-offenders geen gebiedsverbod op te leggen, maar dat niet beoogd is dat altijd meerdere antecedenten vereist zijn om een gebiedsverbod op te leggen. Het beroep wordt verworpen.

HR 28 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2016:1327

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht