Nieuwsbrief voor overheden

Het door de gemeente gevoerde beleid met betrekking tot standplaatsen van woonwagens is niet in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling. Er is geen sprake van een onrechtmatige daad. Vordering afgewezen.

 

Een woonwagenbewoner in spe vordert van de gemeente Rotterdam dat deze aan hem één van de lege standplaatsen op een bepaald woonwagencentrum zal verhuren. Hij staat al jaren bovenaan de wachtlijst. Hij is er geboren en een groot deel van zijn familie woont er. De verhuurstop die de gemeente Rotterdam hanteert, is onrechtmatig. Zij mag namelijk geen beleid voeren dat ertoe leidt dat de woonwagenstandplaatsen worden verminderd of afgebouwd. Het College voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat gemeenten en woningcorporaties geen uitsterfbeleid mogen voeren, omdat dit de kern van de woonwagencultuur aantast en ertoe leidt dat huisvesting in woonwagens verdwijnt.

De gemeente voert aan dat zij woonwagencentra wil verkleinen tot maximaal 15 standplaatsen om deze centra zo beheersbaar te maken. Als gevolg van het afschaffen van de Woonwagenwet wordt ‘normalisering’ nagestreefd, waarbij geen rekening wordt gehouden met specifieke woonwensen als de wens om bij familie in de buurt te mogen wonen. De 7 woonwagencentra blijven gewoon bestaan en daarom kan niet worden gezegd dat het beleid erop is gericht om het wonen in woonwagens tegen te gaan. Het gevoerde beleid maakt het mogelijk dat eiser binnen afzienbare tijd een woonwagenplaats in Rotterdam kan huren, alleen niet op het bewuste woonwagencentrum.

De kantonrechter volgt het verweer van de gemeente. Er is geen verboden onderscheid c.q. indirecte discriminatie, omdat het niet zó is dat de gemeente het woonwagenbewoners op termijn onmogelijk maakt om volgens hun cultuur te leven. Immers, de centra blijven in stand. Dat eiser mogelijk elders een standplaats aangewezen krijgt, heeft niets te maken met onderscheid op grond van ras. Ook voor mensen die in aanmerking willen komen voor sociale huurwoning, is het vaak niet mogelijk om dichtbij hun familie te wonen. Misschien gaat het in de toekomst ook nog wel lukken om op dit woonwagencentrum een plaats te krijgen. De zorg en plicht van een gemeente om voldoende woongelegenheid en daarmee een rechtvaardige woonverdeling te bevorderen gaat niet zo ver dat daarmee een in rechte af te dwingen recht ontstaat, aldus dat een individuele burger recht krijgt op een concreet door hem gewenste woonruimte. De contractsvrijheid staat voorop.

Kortom, de gemeente handelt niet onrechtmatig.

Rb Rotterdam 22 september 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2017:7976

Door Rikkert Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht