Nieuwsbrief voor overheden
In de vorige nieuwsbrief ben ik ingegaan op het recht van betrokkenen om informatieverzoeken in te dienen op grond van de AVG. Zoals ik in die bijdrage al heb aangegeven is dat recht niet onbeperkt. In deze nieuwsbrief ga ik in op de uitzonderingen.
Eén van de uitzonderingen op het inzagerecht volgt al uit de overwegingen bij de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In overweging 63 is opgenomen:
“(………) Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. ( ………).”
Er is dus geen onbeperkt inzagerecht, waar dat botst met rechten of vrijheden van anderen. Artikel 23 van de AVG beschrijft meer specifieke beperkingsgronden, die grotendeels overeenkomen met de voorheen in artikel 44 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) opgenomen beperkingsgronden. De meest relevante zijn de openbare veiligheid, de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid, de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures, een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in aangewezen gevallen, de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen en de inning van civielrechtelijke vorderingen.
Daarmee zijn er genoeg gronden om een (oneigenlijk) inzageverzoek te weigeren.
Ook wanneer u er zeker van bent dat betrokkene zelf al over de verzochte informatie beschikt (bijvoorbeeld omdat uw organisatie die informatie reeds eerder aan de betrokkene heeft verstrekt) hoeft de informatie niet (nog eens) te worden verstrekt.
Het niet voldoen aan een inzageverzoek zonder dat daar een deugdelijke (uitzonderings)grond voor is, is overigens niet zonder risico. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) publiceerde op 9 augustus 2018 een besluit, waarbij aan een bank een last werd opgelegd om aan een verzoeker de door hem verzochte gegevens te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 12.000,-- per week, met een maximum van € 60.000,--, als de bank daaraan niet voldeed. De bank heeft niet (tijdig) aan deze last voldaan en uiteindelijk heeft de AP in deze zaak € 48.000.-- aan dwangsommen ingevorderd.
Door Ad Schreijenberg
"