Nieuwsbrief voor overheden

De gemeente Landgraaf vordert in kort geding de veroordeling van een woonwagenbewoner tot ontruiming van de woonwagenstandplaats, aangezien de woonwagenbewoner zonder geldig recht gebruik maakt van de standplaats.

Gedaagde stelt dat hij recht heeft om op de standplaats te verblijven, omdat hij met de gemeente een huurovereenkomst is overeengekomen en omdat de woonwagen op die standplaats door zijn oom aan hem is geschonken. Daarbij stelt hij dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en zijn oom niet is geëindigd. De gemeente betwist dat zij met gedaagde een huurovereenkomst heeft gesloten en zij brengt een opzeggingsbrief aan de oom van gedaagde in het geding, waarin afspraken omtrent het verwijderen van de woonwagen en de garage zijn opgenomen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen huurovereenkomst tussen de gemeente en gedaagde ter zake de standplaats tot stand is gekomen. Inschrijving in de BRP (voorheen: GBA) of het doen van betalingen onder de noemer “huur” zijn geen constitueerde feiten voor het ontstaan van een huurovereenkomst, nadat een standplaats in gebruik is genomen. Dit geldt al dan niet in combinatie met een schenking van de aldaar aanwezige woonwagen. Zij oordeelt dat voor het ontstaan van een huurovereenkomst, die uit de aard meerzijdig is, immers wilsovereenstemming noodzakelijk is en dat de wil om aan gedaagde een standplaats te verhuren aan de zijde van de gemeente ontbreekt.

Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat het eventueel niet geëindigd zijn van de huurovereenkomst tussen de gemeente en de oom van gedaagde op zichzelf uiteraard ook niet kan leiden tot de conclusie dat tussen gedaagde en de gemeente een huurovereenkomst heeft bestaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde de huurovereenkomst tussen zijn oom en de gemeente, waaruit zou kunnen blijken dat hij als familielid gerechtigd zou zijn de huur voort te zetten op de genoemde standplaats, niet in het geding heeft gebracht. Zodoende is niet gebleken dat gedaagde rechten kan ontlenen aan enige huurovereenkomst, zodat hij zonder recht daartoe op de standplaats verblijft.

Voorts oordeelt de voorzieningenrechter dat bij het ontbreken van een overeenkomst aan de door gedaagde aangehaalde maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen werking toekomt. Evenmin is er ruimte voor de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat er geen sprake is van een vergelijkbaar geval. Bovendien is niet gebleken dat de gemeente in haar hoedanigheid van verhuurder van woonwagenstandplaatsen onzorgvuldig heeft gehandeld.

Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat gedaagde in dit kader geen rechten kan ontlenen aan artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarbij een rol speelt dat gedaagde jegens de gemeente geen huurrecht kan claimen. Verder is relevant dat de gemeente in het kader van het door haar gehanteerde ‘uitsterfbeleid’ geen nieuwe verhuur van standplaatsen realiseert. Ook oordeelt de voorzieningenrechter dat niet is gesteld en niet aannemelijk is gemaakt dat het uitsterfbeleid niet noodzakelijk is in een democratische rechtsstaat. Bovendien treedt de voorzieningenrechter niet zelfstandig in de beoordeling van de innerlijke waarde van de wet c.q. regelgeving. Daarbij wordt relevant geacht dat de gemeente op geen enkel moment rechtvaardig de verwachting heeft gewekt dat gedaagde de standplaats mocht gebruiken.

Uit dit vonnis kan worden geleerd dat met de overname van de woonwagen niet zonder meer de huurovereenkomst ten aanzien van de standplaats wordt overgenomen.

Rb Limburg 15 september 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBLIM:2016:8037

Door mr. L.A. Broekhuysen

"

Actualiteiten overzicht