Nieuwsbrief voor overheden
Met een ambtenaar is in 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten, die inhield dat hij op zijn verzoek werd ontslagen per 1 juli 2014. Ook is overeengekomen dat aan betrokkene in aansluiting op zijn ontslag tot 1 september 2020 een uitkering zou worden toegekend op de voet van een WW-uitkering, respectievelijk een bovenwettelijke uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (‘BBUWSR’). Bij een eventuele samenloop van de uitkering met een ABP KeuzePensioen zal geen anticumulatie plaatsvinden.
In de periode na de vaststellingsovereenkomst vonden er wijzigingen plaats in de AOW-gerechtigde leeftijd, eerst bij wet van 12 juli 2012 (Staatsbladen 2012, 328 en 329) en daarna opnieuw bij wet van 4 juni 2015 (Staatsblad 2015, 218). Tot en met 2012 gold een recht op AOW bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. In de jaren daarna liep de AOW-gerechtigde leeftijd op tot 65 jaar en 3 maanden in 2015. In de periode van 2016 tot en met 2021 loopt de AOW-gerechtigde leeftijd versneld op tot 67 jaar, met drie maanden per kalenderjaar.
Eind 2013 heeft de ambtenaar uit de casus verzocht om herziening van de vaststellingsovereenkomst, omdat in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd een gat van – inmiddels - 21 maanden in zijn inkomen is ontstaan op het moment dat hij 65 jaar hoopt te worden. Zijn AOW-uitkering gaat pas in op 1 juni 2022.
De Centrale Raad is echter van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat het, in weerwil van de in de overeenkomst genoemde einddatum van de uitkering, de bedoeling van partijen is geweest om de uitkering na de genoemde einddatum in 2020 te laten doorlopen indien de AOW-gerechtigde leeftijd zou worden verhoogd. De enkele omstandigheid dat deze einddatum samenhangt met de AOW-leeftijd zoals die gold ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, is hiervoor naar het oordeel van de Centrale Raad onvoldoende. Uit geen enkel document blijkt dat de werkgever zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bereid heeft getoond om bij een eventuele verhoging van de AOW-leeftijd de financiële gevolgen daarvan te dragen door de uitkering na de genoemde einddatum te laten doorlopen. De Centrale Raad wijst in dit verband op de finale kwijting en op de bevestiging in de overeenkomst dat betrokkene de gelegenheid heeft gehad om zich te laten informeren over de gevolgen van de overeenkomst. De Centrale Raad overweegt hierbij dat het - volgens de Centrale Raad - ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 6 december 2011 van algemene bekendheid was dat op termijn rekening diende te worden gehouden met een verhoging van de AOW-leeftijd.
De (inmiddels gewezen) ambtenaar blijft dus zitten met een inkomensgat tussen de datum waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt en het ontvangen van AOW. De ingangsdatum van zijn ABP-ouderdomspensioen is per 30 juni 2015 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 gekoppeld aan de AOW-gerechtigde leeftijd, dus op 1 juni 2022. Tot 1 januari 2015 ging het ABP-ouderdomspensioen in bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Weliswaar kan betrokkene de ingangsdatum van zijn ABP-ouderdomspensioen naar voren halen, maar dit heeft tot gevolg dat zijn pensioen levenslang lager zal worden. Linksom of rechtsom ondervindt betrokkene dus nadelige gevolgen van de wijzigingen in de AOW-leeftijd. De Centrale Raad laat dit nadeel echter voor rekening van betrokkene.
CRvB 19 mei 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:1830
"