Nieuwsbrief voor overheden
Schadevergoeding. Verjaring artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek, aanvang vijfjaarstermijn. Voldoende zekerheid over aansprakelijke persoon?
De Mispelhoef is een horecagelegenheid, gelegen aan de Oirschotsedijk te Eindhoven in de nabijheid van de A2. Rijkswaterstaat heeft de A2 verbreed. Daarbij zijn wijzigingen in de waterloop aangebracht met een ontheffing van het waterschap De Dommel. Rijkswaterstaat heeft echter een duikerconstructie zonder ontheffing aangelegd. Vervolgens ging de gemeente Eindhoven vanaf 1999 in de nabijheid een industrieterrein aanleggen, de Oirschotsedijk verhogen en de riolering in het buitengebied reconstrueren. Er ontstond wateroverlast voor de Mispelhoef.
In 2003 stelde de Mispelhoef de gemeente en het waterschap aansprakelijk. In de desbetreffende brieven werd behalve een causaal verband met de activiteiten van het waterschap en de gemeente, ook een causaal verband gelegd met de door Rijkswaterstaat verrichte werkzaamheden. Zowel de gemeente als het waterschap hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen. De Mispelhoef heeft een adviesbureau opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen. Daarin werd geconcludeerd dat Rijkswaterstaat de schuldige was, in het bijzonder door de vervanging van een sloot voor de eerdergenoemde duikerconstructie. In 2008 wordt Rijkswaterstaat aansprakelijk gesteld, die in 2010 aansprakelijkheid voor de in het onderzoeksrapport bedoelde schade heeft erkend. Nadat de Mispelhoef de schade had begroot op circa € 250.000,-, heeft Rijkswaterstaat zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de vordering van de Mispelhoef was verjaard.
De rechtbank en het hof volgen het standpunt van Rijkswaterstaat. De vordering wordt afgewezen op de grond dat deze verjaard zou zijn: de Mispelhoef was er zich in 2003 van bewust dat Rijkswaterstaat mogelijk voor de schade aansprakelijk was, zodat de aansprakelijkstelling in 2008 te laat was. In artikel 3:310 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de vordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van 5 jaar na de dag, volgende op die dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (en in ieder geval door verloop van 20 jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt).
De adviseur van de Hoge Raad concludeert tot afwijzing van het beroep in cassatie: absolute zekerheid omtrent de schade als de aansprakelijke persoon is niet vereist. Voldoende is dat het verband is gelegd tussen de schade en de handelingen van voldoende bepaalde, bekende potentiële schadeveroorzakers. Daaraan was in dit geval voldaan, want er was in dit geval een kring bekend van potentiële schadeveroorzakers, namelijk de gemeente, het waterschap en Rijkswaterstaat. In 2003 zijn de gemeente en het waterschap aansprakelijk gesteld door de Mispelhoef, maar Rijkswaterstaat niet.
De Mispelhoef stelt daar tegenover dat de consequentie hiervan zou zijn, dat benadeelden ‘zekerheidshalve’ stuitingsbrieven gaan sturen aan personen ten aanzien van wie zij onvoldoende zekerheid hebben dat door hun foutieve handelen de schade is veroorzaakt. Dat bevordert het ontstaan van een overgejuridiseerde claimcultuur.
De Hoge Raad oordeelt in het voordeel van de Mispelhoef. Het is onvoldoende dat de Mispelhoef bekend was met de mogelijkheid dat Rijkswaterstaat voor de schade aansprakelijk was. Die enkele mogelijkheid is niet voldoende om aan te nemen dat bij de Mispelhoef voldoende zekerheid bestond dat de schade was veroorzaakt door Rijkswaterstaat. Dat wordt niet anders doordat de Mispelhoef professionele rechtsbijstand genoot. Wel is van belang dat zij heeft gesteld dat zij er in 2003 van uitging dat het waterschap voor de waterhuishouding verantwoordelijk was en dat pas uit het latere onderzoek bleek dat de duikerconstructie niet volgens de verstrekte ontheffing was aangelegd en dat Rijkswaterstaat daardoor voor de schade verantwoordelijk is, alsmede dat dit onderzoek mede vertraging heeft opgelopen doordat Rijkswaterstaat traag reageerde op verzoeken om informatie.
Deze uitspraak van de Hoge Raad betekent dus dat niet zo snel kan worden aangenomen dat de benadeelde met de aansprakelijke persoon voldoende bekend was, in elk geval minder snel dan voorheen werd aangenomen.
HR 31 maart 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2017:552
Door Rikkert Hoekstra
"