Nieuwsbrief voor overheden
Verjaring van schadevordering van bedrijf op gemeente wegen onrechtmatige daad. Stuiting van de verjaring door schriftelijke mededeling vervat in overeenkomst? Artikel 3:317 BW. Uitleg overeenkomst. HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642. Beroep op verjaring tijdens onderhandelingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5811, NJ 2002/195.
Een bedrijf is van mening dat de gemeente Groningen in de jaren ’80 onrechtmatig heeft gehandeld. Daarna, in de jaren ’90, treden partijen in onderhandeling over een bedrijfsverplaatsing, welke onderhandelingen worden afgerond door een overeenkomst d.d. 1 juni 2002. In deze overeenkomst staat dat het bedrijf ‘desgewenst’ voor 1 mei 2002 de onrechtmatige daadsvordering aan arbiters kan voorleggen; in de overeenkomst is het nodige overeengekomen omtrent de arbitrageprocedure. Vervolgens sluiten partijen eind mei 2004 een nadere overeenkomst, waarin onder meer staat dat het bedrijf de gemeente aansprakelijk houdt voor de onrechtmatige daadsvordering en dat inmiddels op basis van een door een professor uitgevoerd onderzoek, volgens het bedrijf, is gebleken dat er inderdaad schade is.
Vervolgens wordt de onrechtmatige daadsvordering voorgelegd aan de gewone rechter. De rechtbank wijst echter de vordering op inhoudelijke gronden af.
Het hof oordeelt echter dat alle aanspraken op schadevergoeding tot en met 2 juni 2003 zijn verjaard; hij overweegt dat het bedrijf de gemeente pas bij brief van 3 juni 2008 opnieuw aansprakelijk heeft gesteld, zodanig dat daardoor de verjaring is gestuit. Volgens het hof strekt de uit 2004 daterende nadere overeenkomst er toe om te bevestigen dat de overeenkomst uit 2002 is blijven gelden, maar dat die bevestiging niet kan zien op de onrechtmatige daadsclaim omdat die afspraak inhield dat het bedrijf de gelegenheid kreeg om haar vorderingen voor 1 mei 2002 aan arbitrage te onderwerpen. Die afspraak is inmiddels door tijdsverloop uitgewerkt. De verjaring is door de nadere overeenkomst uit 2004 niet gestuit.
De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst op 1 juni 2002 had het bedrijf het kennelijk niet de wens om de vordering reeds voor 1 mei 2002 aan arbitrage te onderwerpen, maar dat kan natuurlijk niet betekenen dat op 1 juni 2002 de vordering al was verjaard.
Daarom kan ook ’s hofs oordeel geen stand houden dat de bevestiging van de overeenkomst uit 2002 in de nadere overeenkomst niet een voldoende duidelijke mededeling aan de gemeente inhield dat het bedrijf zich al haar rechten tegenover de gemeente voor behield; een dergelijke mededeling stuit immers de verjaring.
De gemeente had zich in de conclusie van antwoord van 5 maart 2014 voor het eerst op verjaring beroepen. Het bedrijf had aangevoerd dat dit naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, want partijen hadden uitgebreid onderhandeld om te proberen de vordering in der minne te regelen. De professor had ook zijn rapport in juni 2008 rechtstreeks aan de gemeente verzonden. De Hoge Raad oordeelt hieromtrent dat hij al eerder, in een arrest d.d. 1 februari 2002, NJ 2002/195, had geoordeeld dat het niet uitgesloten is dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een schuldenaar die met een schuldeiser in onderhandeling is getreden, zich er op beroept dat de verjaring tijdens de onderhandelingen is voltooid. In een dergelijk geval moet worden aangenomen dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen, te rekenen vanaf het moment waarop de onderhandelingen zijn afgebroken (dus: stuitende werking tot het moment van het afbreken van de onderhandelingen).
Duidelijk is dat partijen binnen 5 jaar na het sluiten van de nadere overeenkomst in 2004 in onderhandeling zijn getreden zodat er toen niets verjaard is en dat, toen die onderhandelingen op niets uitliepen, het bedrijf de gemeente binnen 5 jaar heeft gedagvaard. Het hof had daarom niet zonder motivering voorbij mogen gaan aan het betoog dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moest worden aangemerkt.
Opmerking: de formulering die de Hoge Raad kiest, duidt er op dat er nog bijkomende omstandigheden nodig zijn om aan te nemen dat een beroep op verjaring in weerwil van voortgezette onderhandelingen niet naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn; wij menen dat, als goed naar de feiten wordt gekeken, het echter moet worden omgedraaid en dat het neer komt op het volgende: een beroep op verjaring van een claim na afgebroken onderhandelingen kan pas slagen, nadat er meer dan 5 jaar zijn verstreken na het afbreken van de onderhandelingen!
HR 26 januari 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2018:111
Door Rikkert Hoekstra
"