Nieuwsbrief voor overheden
De gemeente Amsterdam heeft via een Europese aanbestedingsprocedure in 2011 twee opdrachtnemers gecontracteerd voor het leerlingenvervoer in haar gemeente. De twee opdrachtnemers voorzien in verschillende kavels die geografisch zijn bepaald. De opdrachtnemers zijn WDK en Connexxion.
De overeenkomst met WDK is aangegaan voor de duur van vier jaar en eindigt daarmee van rechtswege op 31 juli 2015. Tevens is een verlengingsoptie opgenomen van maximaal drie periodes van één jaar.
WDK en de gemeente spreken in de periode tussen 31 december 2014 en 29 juni 2015 over een eventuele verlenging. Het concern WDK geeft te kennen een andere dochter als contractspartij op te willen nemen in een eventueel verlengingscontract. Uiteindelijk heeft de gemeente op 29 juni 2015 aan WDK per brief meegedeeld dat het contract niet zal worden verlengd en dat de gemeente bovendien voornemens is de overeenkomst voor een jaar aan te gaan met Connexxion.
De vraag die aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam werd voorgelegd was of de gemeente het vertrouwen heeft gewekt te willen verlengen met WDK en verder de vraag of de gemeente het leerlingenvervoer voor een jaar onderhands mag gunnen aan Connexxion.
De rechtbank stelt voorop dat de gemeente vrij is in haar keuze om de overeenkomst al dan niet te verlengen. De rechtbank stelt verder aan de hand van de feiten van de casus vast, dat de gemeente geen onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dat de overeenkomst zou worden verlengd en dat contractsovername mogelijk zou zijn. Evenmin zou de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt bij WDK dat er zou worden verlengd. De gemeente heeft namelijk keer op keer aangegeven dat er aandachtspunten waren. De vrije keuze om een contract al dan niet te verlengen betekent volgens de rechtbank eveneens dat de gemeente in dat kader onderzoek mag verrichten naar de contractspartij.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of de gemeente, alvorens zij opnieuw zal gaan aanbesteden, het contract voor een jaar onderhands mag gunnen aan Connexxion. Of de gemeente deze onderhandse gunning mag toepassen is afhankelijk van de vraag of sprake is van ‘dwingende spoed’ ex art. 2.32 sub c Aanbestedingswet (Aw). De rechtbank oordeelt in dit geval dat de gemeente heeft aangetoond dat er geen tijd meer was om aan te besteden. In de zomerperiode moet nu eenmaal de beslissing genomen worden wie het komend schooljaar het vervoer regelt, immers in augustus 2015 moeten de leerlingen weer worden vervoerd. Bovendien betreft het het leerlingenvervoer van een kwetsbare doelgroep die moet worden uitgevoerd met de hoogste mate van betrouwbaarheid en continuïteit.
De rechtbank oordeelt eveneens dat sprake is van een onvoorziene omstandigheid die niet aan de aanbestedende dienst te wijten was. De (late) opzegging is er grotendeels in gelegen dat er gaandeweg zorgen over de liquiditeitspositie van WDK ontstonden die niet aanstonds door WDK werden weggenomen.
Kortom, de aanbestedende dienst is in beginsel vrij in haar keuze om al dan niet gebruik te maken van een contractuele verlengingsoptie. Van belang is wel dat in geval geen gebruik wordt gemaakt van de verlengingsoptie, de aanbestedende dienst ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen wekt dat dit anders zou liggen.
Indien de mededeling dat niet tot verlenging wordt overgegaan laat plaatsvindt, hoeft dat niet in de weg te staan aan een beroep op artikel 2.32 sub c Aw. De omstandigheden van het geval moeten dan dusdanig zijn dat de late opzegging begrijpelijk is en bovendien niet verwijtbaar is aan de aanbestedende dienst. In dat geval kan sprake zijn van een dwingende spoed die maakt dat het contract tijdelijk onderhands gegund kan worden. De aard van het vervoer speelt daarbij een doorslaggevende rol.
Rb Amsterdam 24 juli 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2015:5226
Door mr. J.J. Jacobse en mw. mr. I. van der Hoeven
"