Nieuwsbrief voor overheden
Is de beslissing tot verlenging van de beslistermijn op een aanvraag een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb? En zo ja, kan de rechter de rechtmatigheid van die beslissing toetsen? Deze vragen zijn door de rechtbank Zeeland-West-Brabant beantwoord in haar uitspraak van 10 september 2014.
Een passagier van een luchtvaartmaatschappij had een verzoek tot handhaving ingediend bij de staatssecretaris van IenM wegens overtreding van de Verordening tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten.
Op dit verzoek moet op grond van artikel 4:13 Awb binnen acht weken worden beslist. Als het niet lukt om binnen die termijn te beslissen, dan kan het bestuursorgaan dat op grond van artikel 4:14 lid 3 Awb binnen deze termijn meedelen en moet het daarbij een redelijke termijn noemen waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.
In dit geval had de staatssecretaris van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en aangegeven dat een beslissing zes maanden kan duren of langer voor complexe zaken.
De verzoeker kon zich hierin niet vinden en stelde de staatssecretaris vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden in gebreke. De staatssecretaris nam in eerste instantie een verbeurtebeschikking, maar trok deze later weer in omdat hij vond dat, gelet op het besluit om de beslistermijn te verlengen, er geen dwangsommen waren verbeurd wegens het niet tijdig beslissen. Tegen die beschikking maakte de verzoeker bezwaar. Toen dat bezwaar ongegrond werd verklaard stelde hij beroep in.
De rechtbank oordeelt allereerst dat de mededeling ex artikel 4:14 lid 3 Awb een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is, maar dat op grond van artikel 6:3 Awb tegen dat besluit geen bezwaar en beroep openstaat.
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat zij de rechtmatigheid van de verlengingsbeslissing kan beoordelen in het kader van de beoordeling van een besluit waarin de verlengingsbeslissing een rol speelt. In dit geval was dat de beslissing tot intrekking van de verbeurtebeschikking. De rechtbank oordeelt dat een verlengingsbeslissing moet zijn gebaseerd op deugdelijk onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden en moet steunen op een voor derden kenbare motivering. Op grond van een onderzoek van de Nationale ombudsman kwam de rechtbank tot het oordeel dat een verlenging van de beslissing met zes maanden geen redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:14 lid 3 Awb is, zodat de verlengingsbeslissing onrechtmatig is.
Wat opvallend is, is dat de rechtbank zelf aangeeft dat de Afdeling in haar uitspraak van 16 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2014:1564) de mededeling van artikel 4:14 lid 3 Awb lijkt te accepteren als een vaststaand gegeven en niet als een – voor exceptieve toetsing vatbare - rechtshandeling. De rechtbank kiest er bewust voor om deze uitspraak van de Afdeling niet te volgen.
Rb. Zeeland-West-Brabant 10 september 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBZWB:2014:6538
Door mr. C.J. IJdema
"