Nieuwsbrief voor overheden

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld had aan iemand die tegen een besluit van het college per e-mail bezwaar had gemaakt per brief laten weten dat geen bezwaar per e-mail kon worden gemaakt, dat hij het gebrek kon herstellen door binnen twee weken zijn bezwaarschrift alsnog per ondertekende brief in te dienen en dat, als hij dat niet zou doen, het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard. De bezwaarmaker vroeg, nadat de termijn van twee weken was verstreken, om verlenging van de termijn voor het herstellen van het verzuim met vier weken. Het college verleende per brief een uitstel van twee weken, maar vermeldde in die brief niet dat als het verzuim niet binnen die termijn werd hersteld het bezwaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard.

Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege het niet tijdig herstellen van het verzuim. Daartegen stelde de bezwaarmaker beroep in.

De rechtbank oordeelde dat het college onzorgvuldig had gehandeld door bij het verlengen van de termijn voor herstel van het verzuim niet te vermelden dat bij termijnoverschrijding het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Desalniettemin blijft, gelet op een aantal omstandigheden, de niet-ontvankelijkverklaring in stand.

De Afdeling bevestigt deze uitspraak van de rechtbank en sluit daarmee expliciet aan bij de uitspraak van de Centrale Raad van 8 maart 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT3119), later herhaald in de uitspraak van 27 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW1759). In deze uitspraken oordeelde de Centrale Raad dat als het bestuursorgaan een fatale termijn stelt voor het herstellen van een verzuim de zorgvuldigheid meebrengt dat het bestuursorgaan daarbij moet vermelden dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Er kunnen echter omstandigheden zijn waardoor niet-ontvankelijkverklaring toch achterwege dient te blijven bij overschrijding van de fatale termijn. Daarbij moet gedacht worden aan situaties waarin de mogelijkheid uitgesloten moet worden geacht dat wel zorg zou zijn gedragen voor het tijdig herstellen van het verzuim, indien het bestuursorgaan er wel (nogmaals) uitdrukkelijk op zou hebben gewezen dat geen (verder) uitstel zou worden verleend en tevens (opnieuw) zou hebben gewezen op de mogelijke consequenties van niet-ontvankelijkverklaring. 

In deze zaak oordeelde de Afdeling dat dergelijke omstandigheden zich voordoen, nu het verzoek tot uitstel is ingediend buiten de eerste fatale termijn – zodat het bestuursorgaan toen al het bezwaar niet-ontvankelijk had kunnen verklaren – en de bezwaarmaker bij het verzoek om uitstel expliciet heeft verwezen naar de brief waarbij de mogelijkheid werd geboden het verzuim te herstellen, zodat hij ook weet had van de mogelijke gevolgen.

ABRvS 25 mei 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2016:1399

Door mr. C.J. IJdema

"

Actualiteiten overzicht