Nieuwsbrief voor overheden

Twaalf gemeenten in de regio Rotterdam werkten sinds 2015 samen op het terrein van de volkshuisvesting in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. De gemeente Ridderkerk stapte in 2025 uit dit samenwerkingsverband. Zij constateerde dat de regionale samenwerking leidde tot een disproportionele druk op haar lokale (sociale) woningmarkt en wenste over te gaan op een eigen woonruimtebemiddelingssysteem om de positie van Ridderkerkse woningzoekenden te versterken. Daartoe weigerde zij een nieuwe bestuursovereenkomst te ondertekenen en stelde zij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 niet vast.

De overige elf gemeenten verzochten gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: GS) op grond van artikel 99 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) om Ridderkerk te verplichten alsnog deel te nemen. GS willigden dit verzoek in en gaven alle twaalf gemeenten de aanwijzing om binnen twee maanden een gemeenschappelijke regeling te treffen. Na ongegrondverklaring van het bezwaar van Ridderkerk op 14 april 2026 stelde Ridderkerk beroep in bij de Afdeling en verzocht zij opnieuw om een voorlopige voorziening. GS kondigden tegelijkertijd een voornemen aan tot oplegging van een regeling op grond van artikel 100 Wgr.

Belangenafweging 
De voorzieningenrechter liet de inhoudelijke vragen, met name of GS bevoegd waren tot het geven van de aanwijzing en of sprake was van het vereiste zwaarwegende openbare belang, uitdrukkelijk rusten. Er diende namelijk eerst een belangenafweging gemaakt te worden, zoals ook al bij de eerdere schorsingsuitspraak van 18 februari 2026 het geval was (ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:875).

Daarbij stelde de voorzieningenrechter voorop dat vrijwilligheid het uitgangspunt is van de Wgr en dat het instrumentarium van verplichte samenwerking als ultimum remedium geldt. Dat brengt mee dat de gemeente Ridderkerk in beginsel aanspraak kan maken op een oordeel van de bodemrechter over de rechtmatigheid van de aanwijzing, vóórdat zij geconfronteerd wordt met een daadwerkelijk opgelegde regeling. Dat kan slechts anders zijn als tegenover het belang van de gemeentelijke autonomie een zwaarder wegend belang staat dat spoedeisend optreden vereist.

GS slaagden er niet in dat zwaarwegende belang concreet te maken. Ter zitting kon niet worden weersproken dat woningzoekenden in de regio op dit moment geen praktische problemen ervaren als gevolg van het verschil tussen de Verlengde Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (die nog geldt in Ridderkerk) en de Verordening 2025 van de overige elf gemeenten. De gestelde verwarring voor woningzoekenden bleef te abstract. Bovendien gaf Ridderkerk aan dat haar eigen lokale woonruimtebemiddelingssysteem pas op zijn vroegst in 2027 gereed zal zijn en dat zij de verdere ontwikkeling daarvan zal opschorten totdat de bodemrechter heeft beslist. Dit leidt dus niet tot een feitelijk nadeel voor woningzoekenden.

Betekenis voor de praktijk
De uitspraak illustreert dat de drempel voor toepassing van het aanwijzings- en opleggingsinstrument van de Wgr hoog ligt. Zolang GS niet concreet kan aantonen dat de handhaving van de bestaande situatie tot reële nadelen leidt, zal de rechter de gemeentelijke autonomie laten prevaleren en de behandeling van het beroep afwachten. De Afdeling heeft aangegeven de bodemzaak in het najaar van 2026 te willen behandelen. Dan zal duidelijk worden of de aanwijzingsbevoegdheid op grond van artikel 99 Wgr ook kan worden ingezet voor regionale woonruimteverdeling en, zo ja, onder welke voorwaarden van een zwaarwegend openbaar belang sprake is.

Vzr. ABRvS 11 juni 2026, www.rechtspraak.nlECLI:NL:RVS:2026:3320

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team