Nieuwsbrief voor overheden
Appellante vroeg het college van burgemeester en wethouders van Den Haag in 2021 om een omgevingsvergunning om drie studentenwoningen om te vormen tot twee reguliere woningen en de woning op de tweede verdieping te splitsen in twee zelfstandige appartementen. Het college verleende deze vergunning op 11 augustus 2021 en vermeldde daarin dat het aanvragen van een woningvormingsvergunning op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (Hvv) “niet zinvol” was, omdat er geen toename van het aantal woningen plaatsvond.
Tijdens een controle op 14 maart 2022 stelde de Haagse Pandbrigade echter vast dat de tweede verdieping inmiddels was gesplitst in twee zelfstandige woningen zonder dat daarvoor een woningvormingsvergunning was verleend. Op grond van artikel 5:2, aanhef en onder c, Hvv geldt een verplichting om een vergunning aan te vragen voor een verbouwing waarbij twee of meer zelfstandige woonruimten worden gerealiseerd. Omdat er geen vergunning was aangevraagd besloot het college op 4 mei 2022 tot handhaving door middel van een last onder dwangsom.
De rechtbank zag geen reden voor gerechtvaardigd vertrouwen. Volgens de rechtbank had het college niet expliciet toegezegd dat geen woningvormingsvergunning nodig was en had appellante, als professioneel verhuurder, een eigen onderzoeksplicht.
De Afdeling heeft in de hier besproken uitspraak vastgesteld dat de woning inderdaad zonder vergunning, en dus in strijd is met artikel 5:2, aanhef en onder c, Hvv, was gesplitst. Toch slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Afdeling heeft daartoe overwogen dat appellante mocht vertrouwen op de mededeling in de omgevingsvergunning van 11 augustus 2021, waarin expliciet stond dat het aanvragen van een woningvormingsvergunning niet nodig was. Deze uitlating was afkomstig van het bevoegde orgaan (namelijk het college) en is daaraan toerekenbaar.
Hoewel de mededeling juridisch onjuist bleek, kon die onjuistheid appellante niet worden tegengeworpen. Zij had immers aan haar onderzoeksplicht voldaan door actief navraag te doen bij het college. Gezien de complexiteit van de regelgeving mocht van haar niet méér deskundigheid worden verwacht dan van het bestuursorgaan zelf. De Afdeling heeft overwogen dat het college gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt bij de appellante dat geen woningvormingsvergunning nodig was.
Het college had volgens de Afdeling in zijn besluitvorming moeten laten meewegen dat appellante, naar aanleiding van de mededeling in de vergunning, investeringen had gedaan in de verbouwing van de tweede en derde verdieping. Op het moment dat het college in november 2021 alsnog stelde dat een woningvormingsvergunning nodig was, was de verdieping al gesplitst. Omdat het college bij zijn besluitvorming onvoldoende rekening had gehouden met deze omstandigheden, handelde het in strijd met artikel 3:2 Awb (zorgvuldigheidsbeginsel).
Deze uitspraak is bijzonder, omdat de Afdeling expliciet erkent dat het vertrouwensbeginsel in dit geval zwaarder weegt dan de beginselplicht tot handhaving bij herstelsancties, die in een recente uitspraak door de Raad van State (ABRvS 5 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:678) nog benadrukt werd als dienend voor het algemeen belang. Een uitlating in een verleende vergunning kan dus gerechtvaardigd vertrouwen wekken, ook al blijkt die uitlating achteraf onjuist.
Voor gemeenten betekent dit dat bewoordingen in een vergunning zorgvuldig gekozen moeten worden. Een toezegging in een vergunning kan er immers in sommige gevallen toe leiden dat later niet handhavend mag worden opgetreden.
ABRvS 1 oktober 2025, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2025:4646