Nieuwsbrief voor overheden
Raad heeft door het aannemen van een amendement bij de vaststelling van een eerder te wijzigen bestemmingsplan het vertrouwen gewekt dat bouwmogelijkheid niet zou worden wegbestemd omdat de eigenaar “in of rond 2015” alsnog zou gaan bouwen. Dit vertrouwen was eind 2016 nog niet uitgewerkt.
In onze nieuwsbrief van 8 september jl. ben ik ingegaan op een uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, waarin de Afdeling het vertrouwensbeginsel behoorlijk oprekte door te oordelen dat toezeggingen die waren gedaan door onbevoegde ambtenaren toch aan het bestuursorgaan konden worden toegerekend.
Op 15 november 2017 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan, waaruit lijkt te volgen dat de Afdeling niet alleen sneller aanneemt dat vertrouwen is opgewekt, maar zich ook soepeler opstelt bij de beoordeling van de reikwijdte van het opgewekte vertrouwen.
De feiten
Het ging in die uitspraak om een bestemmingsplan, waarin onder andere een nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheid op een perceel was wegbestemd. De eigenaar van het perceel verzette zich hiertegen en stelde dat dit besluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel.
In 2013 was ook al geprobeerd om de bouwmogelijkheid weg te bestemmen. De eigenaar had tegen het ontwerp van dit plan een zienswijze ingediend, stellende dat hij alsnog zou gaan bouwen “in of rond 2015”. Naar aanleiding van deze zienswijze had de raad het amendement aangenomen de bouwmogelijkheid niet weg te bestemmen.
In 2016 had de eigenaar echter nog steeds niet gebouwd, waarop de raad besloot om de bouwmogelijkheid alsnog weg te bestemmen. De eigenaar verzette zich opnieuw tegen dit plan. Op 22 november 2016 diende hij een zienswijze in waarin hij stelde op korte termijn alsnog te zullen gaan bouwen. De raad stelde desondanks het bestemmingsplan vast.
Uitspraak Afdeling
De Afdeling oordeelde dat de raad in 2013 met het aannemen van het amendement het vertrouwen had gewekt dat de bouwmogelijkheid voorlopig niet zou worden ontnomen en dat, toen de eigenaar op 22 november 2016 in zijn zienswijze aangaf op korte termijn te zullen gaan bouwen, de periode “in of rond 2015” nog niet was verstreken.
Analyse
De Afdeling toont zich in deze uitspraak ruimhartig voor de eigenaar. De eigenaar had in 2013 aangekondigd dat hij in of rond 2015 zou gaan bouwen. Dat veronderstelt toch dat hij in deze periode zou beschikken over een omgevingsvergunning en de eerste spade de grond zou insteken. Uit de uitspraak blijkt echter dat de eigenaar in november 2016 nog geen spade de grond had ingestoken. Sterker nog, de eigenaar had – voor zover ik heb kunnen nagaan – nog niet eens een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Onder deze omstandigheden had de Afdeling even goed tot het oordeel kunnen komen dat het opgewekte vertrouwen inmiddels was uitgewerkt.
Deze uitspraak en de eerder genoemde uitspraak van 19 juli 2017 wijzen erop dat de Afdeling zich soepeler opstelt ten aanzien van een beroep op het vertrouwensbeginsel.
In dit verband wijs ik ook nog op de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017. In deze uitspraak oordeelde de Afdeling dat het bestuursorgaan het vertrouwen had gewekt dat medewerking zou worden verleend aan de uitbreiding van een standplaats en dat vertrouwen ook diende te respecteren.
Het bestuursorgaan had betoogd dat het een fout had gemaakt en dat het een gemaakte fout niet hoefde te herhalen. Het is inderdaad vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel in principe niet zo ver strekt dat het bestuursorgaan gehouden kan worden een gemaakte fout te herhalen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2017.
De Afdeling oordeelde in dit geval echter dat het bestuursorgaan niet eenmaal een fout had gemaakt, maar meerdere malen en dat het voor de betrokkene niet evident was dat het hier om een fout ging. Daarom oordeelde de Afdeling dat het bestuursorgaan het opgewekte vertrouwen toch moest respecteren.
ABRvS 15 november 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:3123
Door Jaap IJdema
"